|
De Holocaust - Een geschiedenis (Debórah Dwork en Robert Jan van Pelt) |
|
|
|
|
Sunday 21 May 2006 |
 |
Titel De Holocaust - Een geschiedenis
Auteur Debórah Dwork en Robert Jan van Pelt
Uitgeverij © Uitgeverij Boom/Amsterdam; 2002; 504 bladzijden
ISBN 90 5352 843 1
|
Synopsis
De Holocaust - Een geschiedenis beschrijft de grootste tragedie van de twintigste eeuw: de geschiedenis van de moord
op zes miljoen mensen. Mensen die als joden werden gebrandmerkt, gevangengezet en vermoord, omdat men hun bestaan zag als een smet
op uitgerekend die beschaving waaraan ze zoveel had bijgedragen.
Debórah Dwork en Robert Jan van Pelt ontwarren de vaak paradoxale ontwikkelingen die hebben geleid tot de moord op de joden.
Deze integrale geschiedenis van de Holocaust gaat in op een groot aantal vragen die nog steeds worden gesteld over deze niet
te bevatten gang van zaken.
Recensie door Jef Abbeel van Liberales.
Deborah Dwork is verbonden aan de Yale University in de USA, de Nederlander Robert Jan van Pelt is hoogleraar aan de
University of Waterloo in Canada. Beiden willen iets nieuws toevoegen aan de talloze boeken die al geschreven zijn over
de holocaust, door een beeld te geven van het leven van de joden in de eerste helft van de 20ste eeuw en te antwoorden op
vragen zoals: waarom geloofden miljoenen Duitsers en anderen de nazi-theorie dat joden een minderwaardig ras vormden?
Wie was op de hoogte van het lot van de gedeporteerde joden? Waarom overleefden in het ene land meer joden dan in het
andere?
Dat beeld krijgen we inderdaad, de antwoorden op die vragen slechts ten dele. De auteurs schetsen eerst het samenleven van joden met niet-joden in Europa vanaf de Middeleeuwen. Eeuwenlang bestonden er anti-joodse gevoelens, die uiteindelijk culmineerden in het destructieve antisemitisme van de nazi’s. De schrijvers vergeten wel de pioniers hiervan te noemen, zoals Theodor Fritsch met zijn Der antisemitische Katechismus, die tussen 1893 en 1944 bijna jaarlijks (49 maal) herdrukt werd.
Dwork en Van Pelt schenken veel aandacht aan de Eerste Wereldoorlog, ondermeer aan de Turkse volkenmoord op 1,5 miljoen Armeniërs. De Turkse nationalisten wilden Turkije voor de Turken en beschouwden de Armeniërs als binnenlandse vijanden, die heulden met de geallieerden. Ze stelden een tien-stappen-plan op voor de uitroeiing, maar ontkenden nadien dat deze brutale slachting een genocide was. Hun Duitse bondgenoten konden een voorbeeld aan hen nemen.
De schuld voor de Duitse nederlaag in 1918 werd toen al bij de joden gelegd. Ook de revolutiepoging van Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht was in de ogen van velen een bewijs dat de joden het land wilden destabiliseren. En het verdrag van Versailles werd toen al aangevoeld als een vernedering, als een negatie van de voorstellen van president Wilson (elk volk een staat ) en als en voortzetting van de oorlog door Frankrijk. Veel Duitsers waren het eens met de zienswijze van Nietzsche dat de edele, heldhaftige en gedisciplineerde Duitse natie zou bezwijken voor een bondgenootschap van inferieure volkeren.
Tijdens het Interbellum emigreerden veel orthodoxe joden uit Oost-Europa naar Duitsland. Men zag ze daar niet graag komen en beschouwde ze als medeoorzaak van de monetaire en economische crisis. Zelfs bij de gevestigde joden waren ze niet geliefd. Opmerkelijk detail: de politiediensten van Duitsland en de omringende landen begonnen toen al samen te werken bij de grenscontroles om joden te onderscheiden van niet-joden, dus al voordat Hitler die landen veroverde.
In 1933 kwam Hitler aan de macht. Rabbijn Leo Baeck voorspelde toen: “aan de duizendjarige geschiedenis van de Duitse joden is een einde gekomen”. Weinigen geloofden hem, zelfs niet toen joodse intellectuelen hun baan verloren en joodse scholieren niet meer welkom waren op Duitse scholen. Want de geschiedenis had de joden geleerd dat antisemitisme steeds tijdelijk was en vanzelf verdween. Wie toen uitweek, kreeg later gelijk. De zionisten sloten zelfs een akkoord met de nazi’s over de emigratie naar Palestina. Tot en met hoofdstuk acht handelt het boek dus grotendeels over het samenleven van joden en niet-joden in vele landen van Europa. De auteurs werken meestal fragmentarisch en bespreken die landen dus niet één voor één.
In het tweede deel komen de getto’s, de deportaties en de uitroeiing van de joden aan bod. Dwork en Van Pelt onderschrijven de visie dat de uitroeiing niet vooraf gepland was, maar stapvoets op gang kwam. Hitler was fanatiek antisemiet, hij wou geen joden in Duitsland en wou ze liever kwijt, eventueel door emigratie naar Palestina of Madagaskar. Maar in de zomer van 1941 hadden de Duitsers hun territorium zodanig uitgebreid, dat bijna alle Europese joden er binnen vielen. Ze begonnen met grootschalige moorden in Polen: 150.000 joden werden in Chelmno tussen december 1941 en april 1943 vergiftigd met de uitlaatgassen van vrachtwagens waar ze in gestopt werden . Tijdens de verovering van de Sovjet-Unie werd ook massaal en genadeloos gemoord door de beruchte Einzatsgruppe. De eerste experimentele vergassingen hadden intussen wel al plaatsgevonden in januari 1940, in gestichten, op patiënten die ongeneeslijk ziek waren.
De intrede van Amerika in de oorlog in december 1941 verstrakte de houding van Hitler. Tot dan had hij gedacht dat de Amerikaanse joden hun regering buiten de oorlog zouden houden om hun geloofsgenoten in Duitsland te beschermen. Dit was dus niet zo. “De joden hadden weer een wereldoorlog ontketend”, zo klonk het en konden dus vernietigd worden. Hitler verklaarde trouwens zelf de oorlog aan de Verenigde Staten.
Het meest efficiënte moordcentrum werd Treblinka: tussen juli 1942 en oktober 1943 verslond de doodsmachine daar 750.000 mensen. Belzec en Sobibor hadden dezelfde functie. Auschwitz en Majdanek waren in mei 1940 opgezet als concentratiekampen, maar in september 1941 werden ze ook omgebouwd tot executieplaatsen. Men gooide er Zyklon-B-kristallen in de zogenaamde ‘doucheplaatsen’ en de gevangenen waren snel dood. Toen de Duitsers in 1942 constateerden dat de vernietiging in het oosten vlot verliep, gingen ze ook joden uit het westen naar doorgangskampen sturen en vandaar naar de vernietigingskampen. In de jaren 1942-1944 vond de massale vernietiging plaats: men zag dat massale emigratie niet meer mogelijk was en ook de nederlaag tegen de Russen bespoedigde de uitvoering.
In aparte hoofdstukken bespreken de schrijvers de helpers en redders. Het voorbeeld van Wallenberg in Hongarije bewijst dat de geallieerden veel meer hadden kunnen ondernemen. Door paspoorten met Zweedse stempels uit te reiken, wist Wallenberg immers duizenden joden te redden. Jammer dat de auteurs niets vertellen over het lot van Wallenberg zelf, nadat de Russische bevrijders hem in januari 1945 meegenomen hadden.
Ook van de kerken hadden zij meer verwacht. De tegenstelling tussen ‘la grande église’ (van paus Pius XII die doof bleef voor het lot van de joden) en ‘la petite église’ (allerlei kloosterorden die joden hielpen) was zelden zo duidelijk. Idem binnen de protestantse kerken. Hier laten de auteurs een aantal onbekende Nederlanders aan het woord, in plaats van woordvoerders van die kerken. Het laatste hoofdstuk beschrijft de wereld van de kampen na de oorlog. De epiloog spreekt over de naoorlogse verwerking van de holocaust en vermeldt exemplarisch het boek van Jacques Presser, De ondergang uit 1965.
Dwork en Van Pelt schreven een grotendeels chronologisch handboek, waarin de grote politieke gebeurtenissen afgewisseld worden met citaten uit dagboeken en brieven van slachtoffers en interviews met overlevenden. Jammer dat bij deze verhalen geen commentaar gevoegd is en dat er geen getuigenissen van daders of omstanders bij zijn. De auteurs menen dat de meerderheid van de bevolking slecht op de hoogte was van de moorden in de dorpen en vernietigingskampen van Oost-Europa, ondermeer omdat ze de zeldzame getuigenissen overdreven vonden. De vraag waarom in het ene land meer joden overleefden dan in het andere, komt slechts gedeeltelijk ter sprake, maar een duidelijk antwoord blijft uit en er is ook geen kaart bijgevoegd met de percentages overlevenden per land.
Behalve het personenregister, is er ook een zakenregister. Interessant hieraan zijn de vele verwijzingen naar aanverwante begrippen en de opsomming van 13 racistische naziwetten, onder andere ter bescherming van het Duitse bloed, ras, gezondheid, beroepen en schoolbevolking. Nog enkele opmerkingen: de schrijvers geven de indruk dat de Duitsers in Nederland weinig hulp en veel verzet aantroffen. Recente studies van Chris van der Heijden, Hein Klemann en Joggli Meihuizen tonen het tegendeel aan. Ze staan dan ook niet in de bibliografie van bijna 1.000 titels.
Soms stoot je op een kleine contradictie: op blz. 311 lezen we dat de vernietiging van de joden in het oosten al in het voorjaar van 1942 was begonnen; op blz. 309 heet het dat Treblinka pas in juli 1942 in werking trad. Samenvattend kunnen we zeggen dat het boek een vrij goed beeld geeft van de holocaust maar dat het niet zoveel nieuwe feiten of interpretaties aanbrengt als beloofd werd. Wij onderschrijven dus de titel : ‘een geschiedenis’.
|
|
|
Laatst geupdate op ( Sunday 22 October 2006 )
|