Henri Deneubourg als Marguerite Bervoets, die beiden bekend staan om hun temperament, engageren zich met zoveel overgave en
hartstocht voor 'de goede zaak', dat zij dreigden een gevaar voor zichzelf en de andere leden van de groep te worden. Met het
resultaat dat ze minder opdrachten krijgen toegespeeld. Dit was zeer tegen hun zin en ze wilden de verzetsleiding bewijzen dat zij
tot veel meer dingen in staat waren.
Marguerite besluit dan maar zelf om tot de actie over te gaan. Ze geeft zichzelf de opdracht om de Duitse manoevres op het
vliegveld van Chièvres te fotograferen en de foto's door te spelen naar de Verzetsleiding. Op 9 augustus 1942, vertrekt ze
met een ander vrouwelijk lid van het Doornikse verzet, de thuisverpleegster Cécile Detournay, naar het
militaire vliegveld van Chièvres. Op het ogenblik dat ze foto's maken van het vliegveld, worden ze opgemerkt door een
Duitse bewaker. De beide vrouwen worden opgeleid en in hechtenis genomen.
Beide vrouwen worden overgebracht van Aat naar Doornik waar ze voor een eerste maal voor een Duitse rechter verschijnen in
het 'Hôtel de la Cathédrale'. Op de vraag van officier Müller van de Geheime Feldpolizei:
"Moest men U met de kogel terechtstellen, wat zou men te Doornik zeggen?", antwoordde
Marguerite zonder te verpinken: "Men kan over mij denken wat men ook van Gabrielle Petit dacht,
en van U, wat men nog steeds denkt van Duitse officieren die haar hebben doen terechtstellen." Na die eerste
ondervraging worden de vrouwen opgesloten in de gevangenis van Mons.
De Duitsers laten een huiszoeking uitvoeren, vinden niets bij Cécile Detournay maar in het appartement van Marguerite
worden enkele wapens in beslag genomen, wapens die zij kennelijk bewaarde voor andere verzetsleden. Nog diezelfde avond wordt haar
kompaan Henri Deneubourg aangehouden en de daaropvolgende maandag nog een twintigtal andere verzetsleden, waaronder ook de leider
Edouard Sourdeau. Zes van hen worden weggevoerd naar Duitsland en slechts één van hen zal levend terugkeren.
Wat de leden van de verzetsgroep waartoe ook Marguerite behoorde niet wisten was, dat deze reeds lang werden geschaduwd door de
Geheime Feldpolizei. De groep werd bijna onmiddellijk verklikt door de verraadster 'Bichette', die later tijdens de verhoren, waaronder ook dat
van Marguerite Bervoets, als getuige ten laste optrad. Dit feit werd pas bekend na het einde van de oorlog. Tot zolang werden
zowel Marguerite als haar lotgenote Cécile, ervan verdacht de groep te hebben verraden aan de Duitsers, maar de waarheid
was reeds door Edouard Sourdeau onthuld aan een medegevangene die dit na de Bevrijding geschreven heeft aan de nabestaanden van
Edouard.
Vader en moeder Bervoets worden eveneens door de Geheime Feldpolizei opgepakt. Haar vader komt al na twee dagen vrij maar haar moeder, die
in het bezit werd gevonden van de kwijtschriften van Marguerite (geld dat ze van haar had geleend voor haar verzetsactiviteiten),
zal nog vijf weken lang verhoord worden vooraleer ze weer vrijkwam. Uit de gevangenis van Mons weet een kloosterzuster het laatste
gedicht, Orphée van Marguerite Bervoets naar buiten te
smokkelen. Haar laatste gedicht uit het voorjaar van 1943 Sans Titre
werd later door haar mede-verzetslid Cécile Detournay vrijgegeven.
Op 13 juni 1943 worden Cécile en Marguerite naar de gevangenis van Sint-Gillis Brussel overgebracht en even later
als Nacht und Nebel gevangenen gedeporteerd naar
Duitsland. Ze worden voor zes maanden opgesloten in de gevangenis van Essen tot deze ingevolge de geallieerde luchtaanvallen
in januari 1944 werd ontruimd. Marguerite en Cécile worden gedeporteerd naar het kamp van Mesum nabij Münster. Op 15 maart 1944
worden beide verzetsvriendinnen naar de gevangenis van Leer vervoerd om er berecht te worden. Op 22 maart 1944 moeten Cécile
Detournay en Marguerite Bervoets voor de Volksrechtbank van Leer verschijnen. Het arrest valt al na een half uur beraadslaging:
Cécile Detournay: 8 jaar dwangarbeid; Marguerite Bervoets: doodstraf door de valbijl. Ook Henri Deneubourg en Edouard Sourdeau worden
diezelfde dag ter dood veroordeeld.
Na het verdict worden de Marguerite en Cécile voorgoed van elkaar gescheiden. In de gevangenis leert ze dan een andere ter
dood veroordeelde jonge vrouw kennen, de communistische verzetstrijdster Fernande Volral, afkomstig uit Charleroi.
Beide vrouwen worden van de ene strafinrichting naar de andere gedeporteerd.
Via Bremen gaat het naar Braunschweig en vandaar weer naar de beruchte gevangenis van Wolfenbüttel. Tijdens de late namiddag van 7 augustus 1944 worden de jonge vrouwen uit hun
cel gehaald en beiden met de guillotine onthoofd. Haar beulen noteren in het logboek het tijdstip van haar dood: Marguerite Bervoets
om 18u34.
Hun lichamen worden als NN-gevangenen begraven op de kleine katholieke begraafplaats. Pas in 1947 zal het Belgische Rode Kruis
hun lichamen naar België repatriëren. Marguerite wordt naar Mons overgebracht en Fernande Volral naar Charleroi. Ook
Henri Deneubourg en Edouard Sourdeau werden helaas terechtgesteld en dat op 1 juli 1944 te Wolgenbüttel.
Cécile Detournay, die acht jaar gevangenis kreeg, wordt naar Hoog-Silezië gedeporteerd. Op het ogenblik dat het
Rode Leger nadert, bevindt Cécile zich in Polen, niet ver van het fort van Jauer. Ze wordt op 25 januari 1945 samen met alle
andere gevangenen in hartje winter gedwongen te voet doorheen Polen richting Duitsland te trekken. Vele gevangenen komen om tijdens
deze martelgang doorheen de Poolse sneeuw- en ijsvlaktes. Op 22 februari 1945 bereikt Cécile Regensburg en wordt opgesloten
in de gevangenis van Aïchach. Op 29 april 1945 wordt zij bevrijd door eenheden van het 7de Amerikaanse Leger.