Het vluchtelingenbeleid in België voorafgaande aan de Duitse invasie, stelde officieel
niet veel voor, net zoals het tegenwoordig -anno 2006- ook aan alle kanten rammelt, rammelde het toen nog veel erger. De parallellen van
het vluchtelingebeleid tijdens het interbellum en deze van zeventig jaar later, zijn opvallend en onrustwekkend gelijk. Het gezegde
dat 'de geschiedenis zich nooit herhaalt' klopt, maar mensen blijven de fouten van hun voorouders echter wél herhalen,
en altijd steeds opnieuw, opnieuw en opnieuw. Mensen lijken maar weinig te leren uit de geschiedenis. Echter, de parallellen zijn
overduidelijk en 'Parallellen zijn als evenwijdige lijnen, maar raken elkaar nooit'.
Onmiddellijk voorafgaand en vooral nà de machtsovername door de nazi's, trachtten vele Duitse joden, communisten,
andersdenkenen e.a. minderheden naar België te emigreren. De Belgische communisten hadden zich reeds vroeg georganiseerd en voor dat
doel 1924-1925 hun afdeling van de Rode Hulp opgericht. De socialisten richtten even later in 1927 de Belgische
afdeling van het Mateotti-fonds op, om hun gevluchte kameraden uit Duitsland op te vangen, uiteraard alles met
privé-inkomsten. Vanaf 1933 zullen zij hun handen vol krijgen aan de Duitse vluchtelingen.
Vanaf de zomer van 1933 kwamen ook joodse vluchtelingen toe die steun zochten bij het in maart 1933
opgerichte Comité tot Verdediging van de Rechten der Joden met zowel een Brusselse als een Antwerpse afdeling. Als eerste joodse emigranten kwamen de rijke joden,
vooral uit het Rijnland afkomstig, die hun bedrijven gewoon overbrachten naar België (en/of ook naar andere westerse landen.) Echter,
de meeste joodse vluchtelingen waren totaal onbemiddeld, hun eigendommen en bankrekeningen verbeurd verklaard door de nazi's en trachtten
totaal berooid over de grenzen binnen te raken. Naar schatting kwamen in de eerste emigratiegolf van 1933 ongeveer 5.000 joden
ons land binnen. Deze noodhulp kostte de joodse organisaties -zonder hulp van de staat- handenvol geld. Eind 1933 kwam reeds een einde aan
de eerste migratiegolf.
Door de economische crisis van begin jaren dertig en de daarmee samenhangende hoge werkloosheid besliste de overheid om enkel migranten
toe te laten die over een financiële reserve beschikten. Die vluchtelingen die welgesteld waren en met een Duits paspoort en
visum waren binnengekomen, werden zonder veel problemen geregulariseerd. Alhoewel de Belgische overheid duidelijk op de hoogte was
van de hachelijke situatie van de joden in Duitsland, besliste zij om de vluchtelingen terug naar hun land van oorsprong te drijven.
De meeste joden waren ons land illegaal en zonder papieren binnengekomen en aldus konden zij ook geen arbeidsvergunning bekomen.
De regering besloot dan ook tot radicale uitdrijving.
Ook de joodse comité's steunden aanvankelijk dit beleid en hielpen enkel die vluchtelingen met het vooruitzicht
van hun doortocht naar andere landen zoals bijvoorbeeld de VS en Zuid-Amerika. Met een nieuw KB (Koninklijk Besluit) in handen dat inging
op 3 oktober 1933 werden aan legale migranten slechts tijdelijkse verblijfsvergunningen uitgekeerd en helemaal geen die niet over
legale dokumenten beschikten van hun land van origine. In de praktijk bleek het bijna onmogelijk om de duizenden vluchtelingen terug
te drijven en werden zij getolereerd in de hoop en afwachting dat zij er alles aan zouden doen om naar een ander land te emigreren en
kregen ipv een verblijfsdocument een zgn 'doorgangsbewijs' toegestopt. Voor de gevluchte communisten en socialisten bestond helemaal
geen clementie en zij werden zondermeer terug de grens overgezet.
Volgens de Belgische overheid kon enkel asiel worden verleend aan de vluchtelingen als zij konden bewijzen dat hun leven gevaar liep en
stelde (sep 1934) dat de racistische discriminatie in Duitsland geen grond was om asiel te verlenen aan de joden(!) Het aantal joodse
vluchtelingen die in de periode tussen april 1933 en april 1938 een permanente verblijfsvergunning kregen was dan ook belachelijk laag. Het wordt
door Max Gottschalk geschat tussen 100 en 150. De verwarring tussen tijdelijke en definitieve verblijfsvergunningen bleef bestaan.
Volgens het rapport van de Commissie Janson verkregen 339 joden een tijdelijke verblijfsvergunning en 14 joden een definitieve. Politieke
vluchtelingen konden makkelijk een verblijfsvergunning krijgen, de joden konden slechts van een tijdelijke en voorwaardelijke
tolerantie genieten.
Voor de steeds maar toenemende financiële en materiële steun van de joodse comité's aan de joodse vluchtelingen
werd meer en meer beroep gedaan op buitenlandse steun zoals bijvoorbeeld bij het Amerikaanse
Joint Distribution Committee en het Britse Council for German Jews die elk
afzonderlijk (tot een echte samenwerking is het nooit gekomen) trachtten de joden in de diaspora aan te zetten tot meer solidariteit
met de Duits-Joodse vluchtelingen.