Aan de haven van Antwerpen was het al geruime tijd onrustig. De trafiek had er zwaar te lijden gehad onder de economische crisis en
de tewerkstelling was er zwaar teruggelopen. Bert Struyf, geboren in 1916, gepensioneerd dokwerker, ex-stadsgids, en later getuige
van de moorden op Pot en Grijp vertelde over de situatie van de havenarbeiders:
"Ik was toen 20 en actief bij de syndicale jeugd. In de jaren dertig was er veel armoede onder de dokwerkers. Vele
dokwerkerskinderen waren ziek. Tuberculose was een echte plaag. Wij waren met vier broers en een vader die aan de haven werkten.
Voor ons viel het allemaal nog mee maar voor vele anderen niet. Mijn moeder kwam van Grobbendonk en had een hart van koekenbrood.
Als ik een kameraad mee naar huis bracht, kreeg die steeds een boterham met stroop. Vader, die nochtans een harde was, heeft daar
nooit iets van gezegd. Zijn leven was zwaar. Hij was als jongeman aan de dokken begonnen alhoewel hij in Zandvliet woonde.
‘s Zondagsnachts vertrok hij thuis om de maandagmorgen aan de haven te beginnen, ‘s zaterdagsavonds ging hij te voet terug naar
Zandvliet. Vele honderden arbeiders deden zoals hij en huurden een kamer in de stad, daar sliepen ze dan met vijf man. Dat waren
de eerste migranten in Antwerpen als ge wilt. In de Huikstraat kan je nog zo’n logementshuizen bekijken. Daar zaten dokwerkers
die van de Kempen en verder kwamen."
In de nacht van vrijdag 22 op zaterdag 23 mei 1936, de laatste dag voor de beruchte parlementsverkiezingen van zondag 24 mei 1936,
komt het aan bekende café-restaurant 'Atlantic' ter hoogte van het Grand Hôtel dat aan de Koninklijke Vlaamse Opera grensde, tot een zwaar treffen
tussen een plakploeg van de Realistische Partij (Parti Réaliste) en een groep socialistische opposanten. De partij van de
Realisten was een extreemrechtse Nieuwe Orde-beweging, die later -nà de feiten van 23 mei, opgedoekt werd en haar aanhangers
onderdak zullen vinden bij de Rex-partij van Léon Degrelle.
Leider van de Realistenpartij was Armand Janssens, een ontgoocheld zakenman en populistische volksdemagoog die,
na het faillisement van zijn handelszaak, besloot om een partij op te richten. Armand had een heel programma klaar gestoomd, een schoolvoorbeeld voor de
huidige populisten van extreemrechts. Het parlement zou vervangen worden door een groep van afgevaardigden van 30.000 mensen, waarbij de
beroepen al naargelang van de grootte van hun aandeel op de arbeidsmarkt zouden vertegenwoordigd zijn. Janssens wilde de belastingen
afschaffen, alsmede de banken. De lonen zouden verdubbeld worden als de Realisten het voor het zeggen kregen.
Geleidelijk aan kantte Armand Janssens zich tegen de joden, de vrijmetselaars, de linkse partijen en de grote financiers. In
1934 en 1935 gonsde het van de politieke en financiele schandalen waar behalve Rex ook de Realisten munt zouden uitslagen. Bij een
tussentijdse verkiezing te Brussel op 14 april 1935, die was uitgelokt door Paul-Henri Spaak onder de regering Theunis, behaalden
de Realisten van Armand Janssens 45772 stemmen. De partij van de Realisten zoals ze zich heetten zullen bij
de parlementsverkiezingen op 24 mei 1936 amper 14.989 (0,6%) stemmen achter zich krijgen en behaalden aldus geen enkele zetel.
Bij de Realisten bevond zich Jean Awouters (ºLuik, 1894-194?)), die orkestleider was in het Grand Hôtel, dat gelegen was op de hoek van de Keyserlei
en de Frankrijklei waar nu de Antwerp Tower staat. Awouters was kandidaat op de Realistenlijst te Luik. Hij had onder meer de 'Marche der Realisten' gecomponeerd.
In het Grand Hôtel vonden ook de meeste vergaderingen van de Realisten plaats. Die bewuste nacht trokken Jean Awouters en zijn echtgenote,
in het gezelschap van een tweede man genaamd De Pauw en alsook de zuster van Realistenleider Armand Janssens de stad in.
Het viertal was er op uitgetrokken om verkiezingsaffiches aan te plakken. De Realisten kwamen in 1936 in Antwerpen op onder het
nummer 7.
Omstreeks 2 uur in de ochtend van 23 mei, werd het viertal betrapt door een groepje socialisten. Onder hen bevonden zich
Albert Pot (4 april 1917-23 mei 1936), die propagandaleider was van de Socialistische Syndicale Jeugd en de dokwerker Theofiel Grijp
(24 mei 1899-23 mei 1936), die lid was van de Bondsraad van de Centrale der Transportarbeiders, een vroege voorloper van de huidige BTB
(Belgische Transportarbeidersbond).
Bert Struyf verhaalt over de moorden: "We hadden een grote spandoek op de Paardenmarkt gehangen en op een nacht hadden de
fascisten dat in brand gestoken. Wij van de syndicale jeugd vergaderden in de kelder van de Breydelstraat om ons te bezinnen over
hoe we ons konden verdedigen tegen de fascisten. Het was 23 mei. Iemand kwam binnengelopen, roepende: ‘Ze zijn weer bezig.’ We
hadden een kleine auto en sprongen daar dadelijk in en gingen op de fascisten af. Vier fascisten waren aan ‘t plakken: twee mannen
en twee vrouwen. Charel De Wit stapte er prompt op af. Ruzie natuurlijk. Toen zagen we hoe één van
die mannen plots een revolver bovenhaalde en schoot. Albert Pot viel neer. We wisten toen nog niet dat hij dood was. We probeerden de dader te
pakken, maar die vluchtte weg. Een vrouw hadden we wel vast, die riep: ‘Au secours!’ en de man keerde terug. Op dat moment kwam
Theo Grijp daar met zijn fiets aan en pakte die man. Maar die schoot opnieuw en ook Theo Grijp viel dood neer. We liepen nu allemaal
achter de dader aan en konden hem omsingelen. Een voorbijrijdende douanebeambte kwam ons helpen. Met zijn dienstwapen hebben we de
dader in bedwang kunnen houden tot de politie kwam. Op het politiebureel werden we opgesloten in dezelfde kamer als de dader, stel
je voor."
Burgemeester
Camille Huysmans snelde na de moord onmiddellijk ter plaatse en was er duidelijk zwaar door aangeslagen. Er speelden zich aangrijpende taferelen af toen hij het
twaalfjarige zoontje van een van de slachtoffers in zijn armen nam. Beide slachtoffers werden onder massale belangstelling op 26 mei 1936 ten grave gedragen. De
burgerlijke begrafenis groeide uit tot een manifestatie voor de democratie. Er werd een rouwkapel ingericht in het Volksgebouw in de Breydelstraat waar de lichamen
van Pot en Grijp onder rode rozen opgebaard lagen. De lijkkisten werden gedragen door leden van de Syndicale Jeugd, de Lasallekring, de Vredekring en Arbeid en Kunst
voorzagen de plechtigheid van gepaste muziek.
Achter de kisten volgde een indrukwekkende rouwstoet. Op het kerkhof Schoonselhof werden verschillende toespraken gehouden door kopstukken van de BWP (Belgische
Werklieden partij), die door SAROV (Socialistische Arbeiders Radio-oOroep voor Vlaanderen) werden uitgezonden. Ook een nog steeds duidelijk aangeslagen burgemeester
Huysmands sprak op de begrafenis. Tijdens de begrafenis van Pot en Grijp was Huysmans nog altijd sterk bewogen door het voorval. Volgens De Volksgazet worstelde
hij met zijn ontroering. De havenarbeiders kondigden voor die dag een 24-uren stakking af.
Na de moord op Pot en Grijp liet burgemeester Huysmans de gelagzaal van het Grand Hôtel sluiten alsook het hoofdkwartier van de Realisten in de Kolvenierstraat 16
te Antwerpen. Bert Struyf: "De vrouw [van Awouters] hebben ze laten lopen; de man, een zekere Jean Awouters, kreeg voor elke moord
vijf jaar, en zes maand voor wapendracht. Het proces was pas twee jaar later, in 1938. Toen Hitler België bezette hebben ze Awauters natuurlijk vrijgelaten. Hij ging in
Tilff in de provincie Luik wonen. Daar hebben de partizanen hem tijdens de oorlog een bezoek gebracht en hem neergeschoten. Zo was
het drama eindelijk geregeld. Pot en Grijp zijn begraven en hun kist werd van de Breydelstraat tot de Brederodestraat gedragen.
Nooit was er zoveel volk op een begrafenis."
Maar hoe groot de weerzin van Camille Huysmans voor extreemrechts ook was, het fascisme had ondertussen wel de wind in de zeilen gekregen en dat niet alleen in
Antwerpen. Het Vlaams-nationalisme bewees een ideale voedingsbodem te zijn voor het extreemrechtse gedachtegoed en was in Vlaanderen aan een stevige opmars begonnen.
Ook aan Franstalige kant werkte het voorbeeld van Adolf Hitler en de fascistische zwarthemden van Benito Mussolini in Italië aanstekelijk. Léon Degrelle
en zijn formatie REX, beloofden nog voor veel moeilijkheden te zorgen.
Een jaar later, zondag 23 mei 1937 werd onder massale belangstelling een gedenkteken onthuld dat gefinancierd werd door de Algemene Centrale van Bouwarbeiders en Gemengde
Vakken. Op de liggende steen op het graf, waar beide socialisten samen werden begraven, werd een gedicht van de Nederlander Jan Greshoff (1888-1971) aangebracht:
O hang het schandepak der dienstbaarheid
Nooit om uw jonge vrijgeboren leden:
Wie zich in leuzen en chevrons vermeit
Is altijd iemand van verdachte zeden.
Bijeengedreven door hun angst en nijd
Staan daar in rechte rijen aangetreden
De machtslakeien van den nieuwen tijd
Die zich in 't zwarte of bruine dwangbuis kleden.
Hoor over 't land dat bestiaal gelal !
Het is het godgevallig feestgeschal
Van 't nationaal bewustzijn dat ontwaakt,
En voor de bende die van bloedlust blaakt
Staan wij die eerlijk willen leven naakt
Ontwapend en zoo luttel in getal.
Jan Greshoff, 1933