De Joodse vluchtelingenorganisaties bleven inmiddels koortsachtig op zoek naar eventuele buurlanden van Duitsland die de
joden wilden opnemen. Zowel Groot-Brittannië als Frankrijk stonden weigerachtig want hun regeringen vreesden dat
het toelaten van deze vluchtelingen de deur zou openzetten voor verdere door de nazi's georganiseerde schepen met joodse
bootvluchtelingen. Het lot van de 900 bootvluchtelingen lag nu in handen van Morris Troper, de Europese voorzitter van het JDC
die haar zetel in Parijs had.
Troper contacteert in België Max Gottschalk, de president van het Joods Vluchtelingencomité te Brussel. De volgende ochtend
heeft Max Gottschalk een onderhoud met de Belgische Minister van Justitie, Paul-Emile Janson, en verzocht hem om dringend 200
vluchtelingen op te nemen waarvan 150 een Amerikaans quotanummer heben. Janson overlegt met Hubert Pierlot, de Eerste Minister van ons land,
en verkrijgt zijn instemming. Later wordt nog goedkeuring verleend om 50 extra passagiers, allen met Amerikaanse immigratiedocumenten, toe
te laten op ons grondgebied. Gottschalk kreeg ook het mandaat om de Belgische overheid waterdichte garanties te geven dat de opvang van
de joodse vluchtelingen de Belgische overheid niets zou kosten.
Nadat België -als eerste land(!)- had ingestemd, neemt Morris Troper, hierdoor duidelijk gesterkt, via Gertrude van Tijn van
het Amsterdamse Vluchtelingencomité, contact op met de Nederlandse regering. Ook Koningin Wilhelmina wordt benaderd. Op 12 juni 1939
kan de Nederlandse Minister Goseling Troper mededelen dat zijn land bereid is gevonden om 194 vluchtelingen op
te nemen. Vol goede moed contacteert Troper opnieuw Parijs en krijgt een onderhoud met Louise Weiss, de secretaresse van het Centrale
Vluchtelingencomité die op haar beurt onderhandelt met de Franse Minister van Buitenlandse Zaken Georges Bonnet. Frankrijk zegt toe
nadat hem bekend werd dat Groot-Brittannië toch bereid bleek om 250 vluchtelingen op te nemen en Bonnet beloofd eenzelfde aantal
op Franse bodem toe te laten.
Op dinsdag 13 juni telegrafeerde Morris Troper na de St Louis dit bericht:
"FINAL ARRANGEMENTS FOR DISEMBARKATION ALL PASSENGERS COMPLETED. HAPPY INFORM YOU GOVERNMENTS OF BELGIUM,
HOLLAND, FRANCE, AND ENGLAND COOPERATED MAGNIFICENTLY WITH AMERICAN JOINT DISTRIBUTION COMMITTEE."
("Ontscheping van alle passagiers definitief geregeld... Kan u tot mijn vreugde mededelen dat België, Holland, Frankrijk en Engeland
prachtig hebben samengewerkt met Amerikaans Joint Distribution Committee")
Het antwoord volgde snel: "THE 907 PASSENGERS OF ST. LOUIS DANGLING FOR LAST THIRTEEN DAYS
BETWEEN HOPE AND DESPAIR RECEIVED TODAY YOUR LIBERATING MESSAGE.... OUR GRATITUDE IS AS IMMENSE AS THE OCEAN ON WHICH WE ARE NOW
FLOATING SINCE MAY 13 FIRST FULL OF HOPE FOR A GOOD FUTURE AND AFTERWARDS IN THE DEEPEST DESPAIR. ACCEPT ... THE DEEPEST AND
ETERNAL THANKS OF MEN WOMEN AND CHILDREN UNITED BY THE SAME FATE ON BOARD THE ST. LOUIS." ("De 907
passagiers van St Louis die afgelopen dertig dagen tussen hoop en wanhoop hebben gezweefd ontvingen heden uw bevrijdend bericht... Onze
dankbaarheid is even immens als de oceaan waarop wij sinds 13 mei varen, eerst vol hoop op een goede toekomst en later in de diepste wanhoop... Aanvaard
diepste en eeuwige dank van mannen vrouwen en kinderen door het lot verenigd op de St Louis.")
Kapitein Schröder slaakte een diepe zucht van tevredenheid. Als die onderhandelingen op niets waren uitgedraaid was hij
vastbesloten geweest om de St. Louis aan de grond te laten lopen voor de Britse kust. Na een reis van 16.000 kilometer kon in
de ochtend van de 17de juni 1939 de St. Louis eindelijk aanmeren in de Antwerpse haven. Uiteindelijk mochten 214 joodse
bootvluchtelingen in Antwerpen voet aan land zetten. De ontroering was groot. Bij de ontscheping zorgden zevenentwintig
rijkswachters voor de orde, terwijl in de kazerne nog eens twintig rijkswachters te paard paraat stonden om uit te rukken indien
er ongeregeldheden zouden zijn. Anti-joodse organisaties hadden immers gedreigd met betogingen. Een nazistisch gezinde
jongerenorganisatie deelde in Antwerpen pamfletten uit met de tekst: "Wij willen de joden ook helpen.
Als ze zich op ons kantoor aanbieden geven we hen graag een gratis een stuk touw en een lange spijker."
Uiteindelijk bleef het bij deze wansmakelijke actie, de passagiers konden zonder probleem ontschepen.
Dat het hier gastlanden betrof bleek duidelijk toen de vertegenwoordigers van de vier betrokken landen op de boot zelf tussen
Vlissingen en Antwerpen vergaderden over de verdeling van de joden. De landen wedijverden om de passagiers met een laag nummer op
de immigratielijst van de VS, daar deze het tijdelijke gastland het snelst zouden verlaten. Nederland neemt 181 passagiers op. Zij
werden op de stoomboot Jan van Arkel overgeladen en naar Rotterdam gebracht. Aangekomen in Rotterdam werden ze meteen overgebracht
naar het vluchtelingenkamp Heijplaat dat omgeven was met prikkeldraad en waakhonden. Engeland nam uiteindelijk na een eerderde
weigering op 21 juni 1939 287 vluchtelingen op en Frankrijk 224.
Osbert Peake, de Britse onderminister van Binnenlandse Zaken over op het voorval met de St. Louis reageerde
dat zoiets niet voor herhaling vatbaar was: "This example must not set a precedent. There is no room
for any more refugees in this country ... they become a burden and a grievance." ("
Dit voorbeeld mag niet gelden als een precedent. Er is geen ruimte meer in dit land voor vluchtelingen... Ze worden een last
en een aanleiding tot grieven.")
Max Loewe, die in Cuba was achtergebleven na zijn zelfmoordpoging zal, na zijn herstel, zijn gezin vervoegen in Frankrijk.
Het was voorlopig nog goed afgelopen voor deze groep joodse vluchtelingen maar niet voor lang. Enkele maanden later begon de Tweede
Wereldoorlog met de inval op 1 september 1939 van de nazi's in Polen. Wanneer op 10 mei 1940 Duitsland in een recordtempo de Benelux-landen
en Frankrijk onder de voet lopen, zitten de St. Louis-vluchtelingen helemaal in de val. Uiteindelijk zal slechts
éénderde van de 907 passagiers van de St. Louis de Endlösung overleven. Michael Berenbaum in de New York Times: "For a while,
the sad voyage of the St Louis seemd to have a happy ending... But within months, the Nazi's overran Western Europe. Only the 288
passengers who disembarked in England were safe. Of the rest, only a few survived the holocaust."
De nazi's trimofeerden andermaal en zagen in het geknoei van het Westen een bevestiging van hun eigen antisemitische politiek.
In het nummer van augustus 1939 schreef Der Weltkampf: "Wij zeggen openlijk dat wij de Joden
niet willen hebben, terwijl de democratieën telkens verklaren dat ze bereid zijn hen te ontvangen - maar laten
de gasten dan in de kou staan! Zijn wij -de zogenaamde 'wilden'- dan niet eigenlijk betere mensen?"
Acht jaar later zullen de Britten met hun omstreden asielbeleid opnieuw het nieuws halen. De Britten bestuurden Palestina en na
de judedocide tijdens de voorbij oorlog, trachtten vele van de overlevende joden Palestina te bereiken, al dan niet legaal. De
Britten maakten het tot aan de onafhankelijkheid van Israël deze joodse emigranten knap lastig. In 1947 haalde het schip de
SS Exodus, met aan boord 4.500 joodse immigranten die naar Palestina wilden, andermaal de internationale media.
De Exodus werd door de Britten niet toegelaten tot de haven van Israël. Maar dat is een ander beschamend verhaal. Het verhaal
van de Exodus werd verfilmd door Otto Preminger met Paul Newman in de hoofdrol.