headerbanner
Aanbevolen boeken en AV-media:
De nazi's. Een waarschuwing uit het verleden (Laurence Rees)
De Joden. Geschiedenis van een volk; Nina Koshofer & Sabine Klauser; 2008; 2 x DVD; 260 min.
Tuesday 13 May 2008
Home
Actueel
Het Waanzinnige Rijk
Hitlers Handlangers
Hitlers Gewillige Beulen
Vergeten vervolgden
Ware Helden
Collaboratie in België
Het verzet in België
NS docs / wetten
Varia
Boekenbank
Link Partners
Gastenboek
Auteur
Contact
Advertisement
Advertisement
Advertisement
Advertisement
Advertisement
Advertisement
Een hommage aan het gat (Piet de Moor) - berv PDF Afdrukken E-mail
Saturday 14 October 2006
Artikel index
berv
Bronnen

Michel de Montaigne (1533-1592) uit Essays (1580)

"
Mijn wezen is niet getraind om te buigen en te knikken, dat zijn mijn knieën."

"Boeken zijn de beste proviand die ik heb gevonden voor deze levensreis."

"Ons gedrag is de ware spiegel van wat we beweren."

Piet de Moor:

De Vlaams Belang-leiders trekken zich niets aan van fundamentele beschavingsnormen die door alle andere geciviliseerde partijen en alle andere geciviliseerde politici wordt gedeeld. Precies omdat het VB die conscensus niet behartigt, kan die partij nooit een partij zijn als de andere. Dat het VB uit die normloosheid zoveel electorale winst kan putten, bewijst dat de morele en ethische verloedering van Vlaanderen een alarmerend peil heeft bereikt en dat lapmiddelen niet volstaan om het tijd te keren.

Het VB kan zich inderdaad de platste leugens permitteren. Dat komt, om Hannah Arendt te parafraseren, omdat de lichtgelovige massa niet overtuigd wordt door de feiten, maar omdat die massa zich liever laat verleiden door de illusie van een leven dat in een geruisloze wereld geleefd kan worden: aan de einder wenkt de fata morgana van een benepen en bekrompen huisgeluk waarin alleen maar witte mensen in hun beloken huizen aan het zappen zijn.

Aangetrokken door die nestwarmte die deze cocon biedt, verdragen de VB-sympathisanten alle leugens die het VB verspreidt. Die lichtgelovige VB-aanhangers ervaren die leugens immers als legitieme hulpmiddelen in de strijd tegen de dreigingen en gevaren die in hun wereld met de centrale fictie verbonden zijn. Op die manier ontstaan de nieuwe stenen tafelen waarin de verboden van de nieuwe immorele wanorde gebeiteld zijn. Een van die verboden luidt: "Zeg nooit de waarheid als je daar geen belang bij hebt."

Een hommage aan het gat

In Calcutta kwam het tot straatgevechten tussen mohammedanen en hindoes. Hoewel de politie de toestand snel meester was, vielen er veertien doden en tweeëntwintig gewonden. De rust is er nu volledig hersteld.’ Dat berichtje staat in de krant. Het is een kort en bovendien een vals bericht, want in Calcutta zijn er helemaal geen ongeregeldheden geweest. Het bericht komt uit de koker van hoofdredacteur Münzer die, geconfronteerd met een kolom van vijf open regels in het hoofdartikel, de rellen in Calcutta verzonnen heeft bij gebrek aan ander nieuws. Als een van de journalisten tegen zijn manipulatie protesteert, laat de hoofdredacteur zijn verontwaardiging de vrije loop. ‘En zo iemand wil dan journalist worden,’ zucht hoofdredacteur Münzer, die zijn eigen waarheidsprincipes heeft: ‘Berichten waarvan de onwaarheid niet of pas na weken kan worden vastgesteld, zijn waar.’ Met een cynische sneer rondt de hoofdredacteur de hele discussie af: ‘Geloof me, beste vriend, wat wij verzinnen is lang niet zo erg als wat wij weglaten.

De cynicus Münzer kan rekenen op de volle steun van zijn intelligente handelsredacteur Molm die openlijk toegeeft dat hij de hele tijd leugens in de krant schrijft. Molm verdedigt zich tegen het verwijt dat hij een cynicus is door te benadrukken dat hij veeleer een lafaard is: ‘Dat geeft het juister weer. Mijn karakter is op geen enkele wijze tegen mijn verstand opgewassen.

Een ogenblik stelde ik me voor dat dit redactionele tafereeltje zich afspeelde in de redactielokalen van ergens een Vlaamse krant, maar het staat in Erich Kästners Fabian (1931), een even aangrijpende als bitsige roman over een jongeman die in het Berlijn van eind jaren twintig vorige eeuw geconfronteerd wordt met een wereld die allang geen moeite meer doet om de schijn op te houden. Alles is simulatie geworden in dat universum dat langzaam in trance is geraakt bij het horen van het zacht-dreigende gegrom dat opstijgt uit de massa totaal ontgoochelde en wanhopige mensen die in Duitsland en Oostenrijk snel was aangegroeid als gevolg van inflatie, werkloosheid en de onwortelende nasleep van de militaire nederlaag.

Maar zijn nu alle mensen die niet de strikte waarheid vertellen lafaards en cynici? In haar Berlijnse notities 1942 tot 1945 vertelt Ursula von Kardorff, die onder het Hitler-regime journaliste bij de Berlijnse Deutsche Allgemeine Zeitung was, over een zekere Werner Fiedler, een filmcriticus, die een list had bedacht om in volle nazi-periode toch zijn mening te kunnen schrijven. Telkens als Fiedler iets boosaardigs over de nazi’s wilde zeggen, citeerde hij uit het verzameld werk van een Müller-Maushagen, die door Fiedler als een inmiddels overleden professor werd opgevoerd. Maar die Müller-Maushagen bestond helemaal niet en zijn werk evenmin. Zowel het personage als het oeuvre was door Fiedler verzonnen. Via die fictief-postume Müller-Maushagen gaf Fiedler, die zichzelf wilde beschermen, geestige, scherpe en bittere commentaren op allerlei toestanden in het Derde Rijk.

Minder geluk had de Rus Sergej Nabokov, de broer van Vladimir, de schrijver die destijds nog geen beroemdheid was. Sergej was werkzaam als vertaler op een kantoor in Berlijn. Openhartig en onbevreesd leverde hij kritiek op de nazi’s. Sergej werd verraden door zijn collega’s en opgepakt. Hij overleed in 1945 in een concentratiekamp. Was hij voortvarend en overmoedig geweest? Want Sergej Nabokov zal toch wel geweten hebben dat hij een gemakkelijke prooi was en dat niemand het voor hem op zou nemen? Of vond hij geen ander middel om zijn hart te luchten en wilde hij ondanks alles toch niet langer zwijgen?

Het nazi-regime had tegenstanders van wie de ene zich al wat meer kon permitteren dan de andere. Het doet geen afbreuk aan zijn moed dat een grote bek als Géza von Cziffra beschermd werd door zijn roem. Von Cziffra was een Hongaarse journalist die in het Duitsland van de jaren dertig naam had gemaakt als regisseur van even onnozele als beroemde en succesvolle B-films. Aan die faam had hij het te danken dat een slip of the tongue hem zijn kop niet kostte. Want op een dag werd Von Cziffra op een receptie voorgesteld aan nazi-propagandaminister Joseph Goebbels die hem de hand gaf en zei: ‘Aha, Géza von Cziffra! Ik heb gehoord dat u een giftige tong heeft en dat u zich voor niemand inhoudt. Probeer het maar eens met mij!’ Waarop von Cziffra zijn vrienden en Goebbels verbijsterde met de woorden: ‘Ik ben mijn leven toch niet beu!

In volle Hitler-dictatuur waren er ook heel wat journalisten die niet beroemd waren en die toch grote risico’s namen. Over zo’n geval schrijft Margret Boveri in haar monumentale documentaire boek Wij liegen allemaal [Wir lügen alle. Eine Hauptstadtzeitung unter Hitler. Olten 1965]. Een hoofdstedelijke krant onder Hitler. In juli 1936 bracht een koerier een spoedbericht uit het bureau van nazi-minister Hermann Göring, de eerste minister van Pruisen, naar de krant . Dat bulletin bevatte controversiële informatie over de samenwerking tussen de geheime politie van Oostenrijk en Tsjechoslowakije, wat volgens de toenmalige stand van zaken neerkwam op een vijandige daad tegenover Duitsland. Belangrijk in deze zaak was dat Göring de reputatie van zijn voornaamste rivaal, Heinrich Himmler, met de publicatie van dit bericht wilde beschadigen.

Niets liep echter zoals Göring het zich had voorgesteld. Dat kwam omdat het bulletin in de handen van Tageblatt-redacteur Wilhelm Renner was terechtgekomen. Wilhelm Renner doorzag meteen Görings intrige. Renner begreep dat het Görings bedoeling was om het bericht in de krant te lekken zonder dat de bron ervan – het Pruisisch staatsministerie – bekend zou worden. Maar Renner, die heel goed wist dat hij een groot risico nam, hield zich van den domme en maakte toch de bron bekend. Renner had namelijk opgemerkt dat Göring in zijn grote haast vergeten was om de regels te schrappen die verrieden dat het bulletin uit zijn ministerie kwam. In haar boek beschrijft Boveri hoe Wilhelm Renner even aarzelde voor hij het briefhoofd van het Pruisisch staatsministerie met een pennenstreek naar de kop van het artikel haalde. Toen het artikel de volgende dag in het Berliner Tageblatt verscheen, was Göring buiten zichzelf van woede. Want nu was het voor iedereen zonneklaar dat het bericht in het Berliner Tageblatt uit Görings ministerie kwam en dat de nazi-minister gefaald had in zijn poging om zijn rivaal Himmler een loer te draaien.

Nog dezelfde avond werd Wilhelm Renner gearresteerd. Hij was opgepakt door de mannen van Hermann Göring, die destijds nog aan het hoofd van de Berlijnse politie stond. Renner was onvindbaar. Zijn vrienden zochten overal naar zijn spoor en uiteindelijk achterhaalden ze dat hij in de gevangenis van het politiekantoor aan de Alexanderplatz was opgesloten. Maar Renner had geluk. Göring moest uiteindelijk wel erkennen dat hij zich had vergaloppeerd. Op de vraag of er onder Hitler in de krantenredacties journalisten, redacteurs en hoofdredacteurs aan het werk waren die elke gelegenheid aangrepen om de dictator een hak te zetten, kan ik zonder meer antwoorden: ja, zulke journalisten waren er. Waar ze konden, boden ze ook nog verzet toen de Hitler-dictatuur al stevig in het zadel zat, en niet alleen daarvóór, toen dat soort acties nog ongevaarlijk was.

Wellicht is het niet erg slim om als onbeschermde eenling in een onmenselijke dictatuur openlijk te protesteren, maar juist daarom heb ik zoveel bewondering voor de menselijke reflex van die Duitse arbeider die in een tram opstond voor een jodin met een gele ster. Toen een nazi-partijlid daar bezwaar tegen maakte, snauwde de arbeider hem toe: “Over mijn gat beslis ik zelf!”’ Het beeld van het gat als rekbare belichaming van de menselijke autonomie spreekt me sterk aan. Ook Michel de Montaigne grijpt er naar terug waar hij schrijft: ‘Het heeft geen zin om op stelten te klimmen, want ook op stelten moet je met eigen benen lopen. En zelfs op de hoogste troon ter wereld zit je nog steeds op je eigen gat.

Piet de Moor Schrijver

Zesde open brief aan Peter Vandermeersch (29 juli 2006), algemeen hoofdredacteur van De Standaard: Een hommage aan het gat door Piet de Moor

 



Laatst geupdate op ( Wednesday 18 October 2006 )
 
addtofav
Verzet.org maakt dankbaar gebruik van Joomla! en krijgt de technische ondersteuning van Antifa.net, Ahmad Al Kasim en VEDEZE van Blokwatch.
Ga naar top pijltje