Kimberley Cornish brengt in dit zeer opzienbarende boek een ontmoeting aan het licht tussen Adolf Hitler en Ludwig Wittgenstein.
Daarnaast beschrijft de auteur een tot nu toe verborgen strijd tussen de twee mannen in de nasleep van hun ontmoeting
en wijst hij op de overeenkomsten tussen hun ideeën.
In Een Joodse Jongen wordt voor het eerst het bewijs geleverd dat Hitlers antisemitisme ontstond uit een ontmoeting in 1904
tussen twee schooljongens in het Oostenrijkse Linz:
Adolf Hitler [º20 april 1889] en
Ludwig Wittgenstein [º26 apr 1889]. De een zou later de meest gehate man op aarde worden, de ander een
beroemd filosoof in Cambridge.
Kimberley Cornish ontdekte de twee samen op een foto uit 1904 die werd gemaakt op de Realschule waar de beide jongens hun opleiding volgden. Cornish
weet zijn stelling dat Hitler en Wittgenstein elkaar beïnvloedden goed te onderbouwen: zo lukt het hem om Hitlers obsessie
voor kunst en muziek van Richard Wagner in verband te brengen met de familie Wittgenstein. In
Mein Kampf schreef Hitler
hoe zijn anti-semitisme werd geïnspireerd door één individu in het bijzonder; de beschrijvingen van dat individu
zijn in alle opzichten van toepassing op de jonge Wittgenstein.
Cornish suggereert dat Wittgenstein zich aansloot bij de Komintern om Hitler te bestrijden en dat hij op aandringen van diezelfde Komintern terugkeerde naar het Trinity College
in Cambridge. Daar, zo stelt Cornish vast, was Wittgenstein de mysterieuze 'vijfde man' die de Cambridge-spionnen recruteerde en wiens identiteit
altijd verborgen is gebleven.
Terwijl Hitlers belangstelling voor het occulte welbekend is, is de mystieke basis van Wittgensteins filosofie grotendeels over het
hoofd gezien. Kimberley Cornish weet met een indrukwekkende hoeveelheid bewijsmateriaal aannnemelijk te maken dat Hitlers occultisme
e, Wittgensteins mystiek gemeenschappelijke wortels hebben, en ook dat dat dit de sleutel is tot Hitlers bewering dat hij de betekenis van
geschiedenis op school was gaan begrijpen.
Een Joodse Jongen is gebaseerd op miniteus speurwerk met revolutionaire resultaten en is van essentieel belang voor iedereen
die geïnteresseerd is in de geschiedenis van de twintigste eeuw.
Synopsis door René Zwaap;
De Groene Amsterdammer van 19 aug. 1998.
Klasgenoten
Met zijn net verschenen Wittgenstein-studie
The Jew of Linz (hier vertaald als Een joodse jongen) bewijst de Australische filosoof
Kimberley Cornish dat het academisch niveau in zijn land inmiddels lucide toppen heeft bereikt. Cornish, gevormd aan de universiteit
van Western Australia, gewezen leerling van Paul Feyerabend aan de Universiteit in Auckland, Nieuw-Zeeland, schreef een
biografisch-historische studie die bij elke Nederlandse 'vakhistoricus' de nekharen recht overeind zou jagen: een filologische
thriller, speculatief, met zevenmijlslaarzen door de wereldgeschiedenis stappend. Maar wie zijn boek openslaat, legt het niet eerder
neer totdat ook de laatste pagina koortsachtig is verslonden.

De kritiek richtte zich vooral op de hoofdstukken waarin Cornish beweert dat het antisemitisme van Adolf Hitler een rechtsstreeks
uitvloeisel was van diens ontmoeting als schooljongen met Ludwig Wittgenstein. Hitler en Wittgenstein, beiden geboren in april
1889, zaten in 1904 op dezelfde Realschule in Linz, zij het met twee klassen verschil: Wittgenstein, telg uit een chic industrieel
geslacht, had een klas overgeslagen, terwijl Hitler, de kleinsteedse pummel uit Braunau, een jaartje achter lag. Tot dusver gold dit
gedeelde verleden als een curieus detail in beider biografieën. Cornish beet zich er pitbullsgewijs in vast en blies het op tot
de meeste cruciale gebeurtenis van de twintigste eeuw.
In Mein Kampf schreef Hitler dat hij zijn antisemitisme bepaald niet met de paplepel had meegekregen. Hij vervolgt:
'
Op de Realschule leerde ik echter een joodse jongen kennen die door ons allemaal omzichtig behandeld werd, maar alleen omdat wij
hem wat betreft zijn zwijgzaamheid, wijs geworden door verschillende ervaringen, niet helemaal meer vertrouwden.' Dat zette
Cornish op het spoor. En het moet gezegd, aan de hand van teksten van Hitler, Wittgenstein, hun tijdgenoten en biografen komt
hij een heel eind in zijn theorie over de magische kruisbestuiving tussen de tiran en de denker.
Wittgenstein had een diep ongelukkige tijd in Linz. Zijn vader, industrieel en publicist, had hem uit het chique salonleven van
Wenen verbannen. Ludwigs broer Rudolf had net zelfmoord gepleegd vanwege schuldgevoel over zijn homoseksualtieit, een andere broer
had twee jaar daarvoor hetzelfde gedaan, en de frêle, kleine Ludwig moest maar eens het harde mannenleven leren kennen tussen de
jongens van het volk in Linz. Met Adolf Hitler als persoonlijke kwelduivel brak hem dat kwalijk op.
Ten bewijze dat de twee elkaar kenden presenteert Cornish een foto van de school uit Linz waarop volgens hem zowel Hitler als
Wittgenstein staan. Sceptici hebben beweerd dat het onaannemelijk is dat de twee samen op de foto staan, daar ze geen klasgenoten
waren. Cornish schrijft dat het even goed kan gaan om een foto van leeftijdgenoten. Hij liet de foto onderzoeken door de
foto-identificatieafdeling van de politie in Victoria. Deze kwam tot de conclusie dat het voor 99 procent zeker is dat het
inderdaad gaat om Hitler en Wittgenstein.
Eerder deelden de twee schooljongens een obsessie voor de muziek van Wagner en bezochten zij beiden geregeld het operahuis van
Linz, ook niet bepaald een hobby die men bij veel vijftienjarige knapen zal hebben aangetroffen in 1904. Cornish stuitte verder in
Mein Kampf op antisemitische scheldkanonnades die regelrecht op het lijf leken te zijn geschreven van Ludwig Wittgenstein en diens
familie. Hitler schuimbekt over 'hofjoden', die zich met hun kapitaal een weg verschaffen naar de adel, die daardoor 'degenereert'.

Wittgensteins overgrootvader Moses Maier was een jood. Diens zoon trouwde in in het doorluchtige geslacht van de
Von Sayns-Wittgenstein, een Duits vorstengeslacht. Ludwigs grootvader bekeerde zich tot het christendom en verbood zijn dochters
uidrukkelijk om met joden te trouwen. De Wittgensteins stonden aan het hoofd van een groot imperium in ijzer en staal. Het was
precies de familiegeschiedenis die Hitler stimuleerde in zijn paranoïde fantasieën over verborgen joodse machten. Niet voor niets,
merkt Cornish op, liet Hitler als dictator aan zijn biografen weten dat hij 'het wezen van de wereldgeschiedenis reeds doorgrondde
op zijn middelbare school'.
In die tijd in Linz beschouwde Ludwig Wittgenstein zichzelf nog als een volbloed Germaan. Pas later werd hij zijn joodse roots
gewaar en zou hij zijn filosofie als 'door en door joods' bestempelen. De kennis van het wezen van Adolf Hitler zou Wittgenstein
hebben aangezet tot een persoonlijke vendetta vanuit Cambridge, waar hij in de jaren dertig colleges gaf in de filosofie. En
daar komt Cornish' tweede spektakelstuk: het zou niemand minder dan Wittgenstein zijn geweest die de mysterieuze werver was van
Britse jongemannen uit de gegoede kringen ten bate van Stalins spionageapparaat binnen de Britse society. Guy Burgess, Kim
Philby en Anthony Blunt, de drie ex-Cambridge-studenten die decennia voor de Russen bleken te hebben gespioneerd, zouden door
Wittgenstein persoonlijk zijn geworven op het Trinity-college in Cambridge.
De drie waren inderdaad allemaal lid van
The Apostels, de exclusieve debatingclub waar Wittgenstein in Cambridge ook lid van was en waar hij als een halfgod werd vereerd.
Zowel Wittgenstein als zijn pupillen waren de herenliefde toegedaan. Geen van de pas na dertig jaar tegen de lamp gelopen agenten
heeft ooit willen bekennen wie de man was die hen als student ronselde voor Moskou. Maar Cornish is er zeker van: het was Ludwig
Wittgenstein, de mysticus, de asceet. Werd Wittgenstein in 1935 niet opeens een leerstoel filosofie aangeboden aan de Lenin
Universiteit van Kazan? En was Wittgenstein niet tot op het laatst een overtuigd stalinist, die werkgelegenheid belangrijker
vond dan de kwellingen van de dictatuur van het proletariaat?
Cornish komt met zoveel 'circumstantial evidence' dat je als
lezer uiteindelijk wel door de knieën wilt gaan. Of het waar is, is natuurlijk een heel ander verhaal. Het zou in ieder geval
kunnen. Cornish tart met zijn boek hoe dan ook de slotvermaning van de Tractatus logico-philosophicus:
'Waarvan men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen.'