De Russische Tsaren wisten nooit goed wat ze met de joden moesten aanvangen. De beroemde schrijver Chaim Potok (1929-2002)
schreef er het volgende over neer: "De Russen wisten nooit precies wat ze met hun joden moesten doen. Autocratische Tsaren zagen de joden als een probleem
dat alleen maar kon worden opgelost door assimilatie of verbanning. Maar joden die zich aanpasten werden ervan beschuldigd dat zij probeerden de macht in hun vaderland
weer over te nemen en als joden emigreerden werd dat betreurd als een ernstig economisch verlies, ofwel werden ze als verraderlijke
revolutionairen beschouwd."
Dat was al zo vóór de tijd van de Tsaren, alsook onder de drie eeuwen Tsarendom
tot aan de Russische Revolutie van 1917, onder de dictatuur van de Georgiër Jozef Stalin (1878-1953), gedurende de periode van
de Refusniks in de jaren zeventig en negentig van de vorige eeuw, en dat tot op vandaag in het Rusland van President Vladimir
Poetin (º1952.)
De joden van Rusland kenden onder de Tsaren relatief korte perioden van tolerantie maar waren regelmatig en systematisch het
slachtoffer van vele bloedige pogroms die op willekeurige tijden doorheen het Russische Rijk raasden. Met het Russische woord pogrom (=verwoesting veroorzaken; gewelddadig vernietigen) worden meestal de rellen
tegen de joden aangeduid die veelal gepaard gingen met ongebreideld geweld en moord.
Sommige bronnen zoals bv. de Jewish
Encyclopedia stellen dat de eerste pogrom plaatsvond in 1859 in Odessa, een vergelding op de joodse bevolking door Griekse immigranten.
De term pogrom werd echter slechts algemeen na de golf van gewelddadige rellen tegen de joden die vanaf 1881 doorheen het
ganse Rusland van de Tsaren rolde, wanneer de Russische joden valselijk van de moord op Tsaar Alexander II worden beschuldigd (zie verder.)
Voordien ontstonden pogroms slechts zelden spontaan en bleken veelal door de christelijke overheden rond de christelijke
hoogdagen te zijn aangewakkerd die de massa gelovigen tot uiterste waanzin dreef en hen tot de vreselijkste beestachtigheden
opzweepte tegenover de kwetsbare joodse gemeenschap. In het Tsaristische Rusland werden de meeste pogroms georganiseerd door de overheid zelf. De
Russische joden waren het gedoemde slachtoffer wanneer de economie slabakte of wanneer er zich een of andere crisis voordeed of problemen
de kop opstaken.
Natuurlijk hadden de problemen van Rusland niets te maken met de joden, maar alles met het feodale en hoogst corrupte regime. Om de aandacht daarvan
af te leiden was het gemakkelijk om de joden van alles wat er misging te beschuldigen en het bleek altijd erg eenvoudig om het
onderhuidse immer latent aanwezige antisemitisme bij de bevolking aan te wakkeren en de massa te manipuleren om hun woede en frustratie
te koelen op de joodse bevoking. De mythe dat de Joden Christus hadden vermoord en ook die andere middeleeuwse mythe de zogenaamde
Rituele Bloedmoord gepleegd door joden op Christenkinderen om hun paasbrood te bereiden, deden het altijd goed
bij de antisemieten van toen.
Die hardnekkige mythes zulen dat ook alle volgende eeuwen 'goed' blijven doen. Eind 19de eeuw,
begin 20ste, eeuw wordt daar nog een andere mythe aan toegevoegd, met name het vervalste document
De Procollen van de Wijzen van Sion, die de plannen van een
joods complot om de wereld te veroveren 'onthulde'. Zowel ten tijde van het Derde Rijk onder de tyrannie van de nazi's, alsook
tot in onze eeuw zullen al deze mythes nog steeds in bepaalde landen regelmatig heropleven en gecultiveerd worden.
Het is moeilijk te zeggen welke van de Tsaren de grootste schoft voor de Russische joden was en wie hen het slechtste behandelde.
Dit artikel begint bij de jodenvervolging in Rusland vanaf eind 18de eeuw en bij het ontstaan van de Tsjerta
onder Tsarin Katherina de Grote, een telg uit de Romanov Dynastie. Met Michail Fjodorovitsj (1596–1645) werd
de eerste telg uit het Huis Romanov geleverd die Tsaar van het Russische Heilige Rijk werd. Het is tijdens het
bewind van zijn zoon en eerste opvolger tsaar Aleksej Michajlovitsj (1629-1676) dat zich De Ramp van 1648 voltrok
toen kozakkenleider Bogdan Chmielnicki tien jaar lang
het land plunderend en moordend doortrok en alle joden die hij op zijn weg tegenkwam afslachtte. De Dynastie van de Romanovs zal
ongeveer 300 jaar Rusland regeren.
De familie Romanov stierf al vrij snel uit in mannelijke lijn. Tsarin Elisabeth I (1709-1761) was de laatste "volle" Romanov Tsarina, waarna
een familielijn in vrouwelijke linie verder regeerde onder de naam Romanov-Holstein-Gottorp. In 1721 had Tsaar Peter de Grote
(1672-1725) de titel imperator (keizer) aangenomen. Daarnaast bleef de titel tsaar (tsarina voor vrouwelijke heersers) in
gebruik. Er zal pas een einde komen aan deze dynastie van de Tsaren wanneer de Russische revolutie in 1917 uitbreekt, Nicolaas II Aleksandrovitsj
de laatste tsaar van Rusland samen met zijn gezin gevangen werd genomen en te Jekaterinenburg op 16 juli 1918 werd geëxecuteerd.