De Russische Tsarin Katherina II 'de Grote' (1729-1796), had in 1762 haar echtgenoot van de keizerstroon gestoten.
Op 17 juli 1762 liet zij haar man Keizer Peter III, de eerste van de Romanov-Holstein-Gottorp dynastie, ombrengen door één van haar ontelbare minnaars, graaf Alexei Orlov,
en kon zij zichzelf als de nieuwe Keizerin (of Tsarin) van Groot-Rusland kronen. Onder haar bewind voerde Rusland twee oorlogen tegen
het Turks-Ottomaanse Rijk , de eerste tussen 1768-1772 en de tweede tussen 1787-1791. Met het gekende historische resultaat dat de
keizerin daarmee zowat 200.000 vierkante kilometer aan het Russische Rijk kon toevoegen.
Dit had ondermeer voor gevolg dat vele oude landen compleet van de kaart werden geveegd en geannexeerd werden bij Rusland. Dat
gebeurde met de Baltische staten (Estland, Litouwen en Letland), met Wit-Rusland, de Oekraïne, de Krim maar ook met Polen dat
op enkele jaren tijd verschillende keren werd opgedeeld tussen Rusland, Pruisen en de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Na
800 jaar onafhankelijkheid hield Polen, na de 3de deling van 1795, voor lange tijd op met te bestaan en het zal nog tot 1918 duren
vooraleer Polen opnieuw onafhankelijk zal worden.
Tsarin Katherina de Grote zat nu opgescheept met honderdduizenden 'vijanden van Christus' alsook miljoenen Poolse
katholieken die wellicht nog minder welkom waren dan de joden. Zij beloofde godsdiensvrijheid 'en dat zeker aan de joden' maar dat betekende niet dat vanaf
nu de joden zich mochten vestigen in het 'Heilige Rusland' waar ze maar wilden of dat ze gerechtigd waren om onder dezelfde voorwaarden
als de christenen om handel te drijven. Joodse kooplui moesten twee keer zoveel belastingen betalen als de anderen.
Een Joodse waterdrager in 1898.
In de Tsjerta werd de waterdistributie door waterdragers verzorgd. Rond 1898 waren er 5.378 waterdragers actief in de Tsjerta.
Vanaf 1791 worden door Tsarin Katherina II 'de Grote' de joden gedwongen te verhuizen naar een afgepaald gebied, de Tsjerta osedlosti
(in het engels Pale of Settlement -zie kaart) en wordt ten Westen van het oude Russische Rijk een reusachtig joods
gettogebied gemaakt waar de joden van Groot-Rusland 125 jaar lang gedwongen werden te wonen werken en leven. De Tsjerta omvatte grote
gebieden van het voormalige Polen, de Baltische Staten, Wit-Rusland en andere geannexeerde delen. Het ganse gebied werd omgeven door
een strenge politiewacht die iedereen, behalve een enkele bevoorrechte, uit de rest van Rusland moest weghouden. De Tsjerta zal een toevluchtsoord -al
dan niet gedwongen- worden voor de Europese joden tot aan 1917.
Enkele jaren later, in 1804, verscherpte Tsaar Alexander I dit edict van Katherina nog door er een nieuw edict aan toe te voegen
dat alle joden beval vóór 1 januari 1807 hun dorpen te verlaten en zich te vestigen binnen de Tsjerta. Later werden
nog nieuwe geannexeerde delen toegevoegd aan de Tsjerta zoals Bessarabië (het huidige Moldavië) de landen van de Kaukasus
en Astrakhan. Andere perioden werden weer gebieden afgenomen van de Tsjerta en de joden opnieuw uit hun gebieden verjaagd.
Aldus werden de Russische joden verbannen gehouden uit het oude Rusland. Maar zelfs binnen dit woongebied waren de
joden nog niet vrij om zich tevestigen waar ze wilden. Zo werd het vanaf 1808 gebruikelijk om hen uit de dorpen te verdrijven naar
de grote(re) steden. Nog honderd jaar later zullen de opeenvolgende Tsaren het bevel geven joden geregeld te verdrijven uit hun
dorpen, waarbij ze onnoemelijk veel ellende en verwoestingen aanrichten onder de joodse gezinnen en bezittingen. Binnen de Tsjerta
was het hard labeur. Joden overleefden moeizaam en vrijwel in pure armoede in zogeheten sjtetls (mestechko).
Dat waren kleine joodse nederzettingen die gewoonlijk uit een paar duizend inwoners bestond en gecentreerd was rondom een synagoge en
een centraal marktplein. In die sjtetl bestond een vorm van zelfbestuur (kahal) tot de volgende uitdrijving weer alles op z'n kop
zette.
In 1835 werd een nieuw 'Statuut betreffende de Joden' uitgevaardigd waarbij een aantal oude anti-joodse wetten en nieuwe werden
samengebracht, die het Woongebied verkleinde en het recht beperkte voor joodse kooplieden om buiten het Woongebied handel te drijven alsook
het verbod om Christelijk personeel in dienst te hebben. Hebreeuwse boeken werden verboden en later verbood Tsaar Nikolaas I de joden
om hun gekende haarlokken te laten groeien en de kaftan (lange overjassen) te dragen. In andere gebieden moesten de joden speciale
taksen betalen op het dragen van hun traditionele kledij en taksen op het gebruik en het in bezit hebben van hun gekende kandelaars.
Ook de beperkte autonomie (kahal) werd afgeschaft.
In 1843 werden de joden uit Kiev, de hoofdstad van de Oekraïne verbannen waar ze al eeuwen hadden gewoond. Een nieuwe golf
van wetten en verboden trof de joden in de Tsjerta. Zo werd het de joden verboden om binnen dichter dan 50 kilomter van de westelijke
grens van de Tsjerta te wonen of er zich te vertonen. Niettegenstaande joodse kinderen onderwijs mochten volgen, gebeurde dit enkel
in het Russisch, Duits of Pools. Het wantrouwen voor deze scholen was groot en de joden bleven hun kinderen meestal naar de traditionele
talmoedscholen sturen waren ze onderwezen werden in het hebreeuws.
Een andere dieptepunt onder het Tsaristische antisemitisme kwam er in 1852 toen de joden van de Tsjerta werden ingedeeld
in 'gevaarlijken' en 'ongevaarlijken', in 'nuttige' en 'overbodige' joden. De eerste werden opnieuw het doelwit van nieuwe vervolgingen
en beperkingen. Hun lot werd enigszins 'gered' bij het uitbreken van de Krimoorlog. Duizenden joden die dienden in het leger van de
Tsaar lieten hun leven voor een vorst die hun wellicht meer haatte dan de vijanden van de Tsaar waartegen ze de wapens moesten
opnemen.
Het leven binnen de Tsjerta bleef zich moeizaam voortslepen. Vanaf 1881, wanneer de eerste pogroms plaatshebben, vind een exodus
in omgekeerde richting plaats: ongeveer 2 miljoen ontvluchtten de Tsjerta naar de Verenigde Staten, West-Europa,
Groot-Brittannië en Palestina. Uit de rest van het oude Rusland werden nog eens een half miljoen joden in 1882 in de Tsjerta
samengedreven. Omstreeks 1890 leefden er toch nog ongeveer 4 miljoen joden in de Tsjerta. Zo werden er in 1891 meer dan 2.000 joden
geketend vanuit Sint Petersburg naar de Tsjerta gedeporteerd, 20.000 joden werden verdreven uit Moskou en nog eens 270.000 uit
andere gebieden.
Ook uit de aanpalende landen zoals Duitsland en de dubbelmonarchie werden ruim 700.000 joden verdreven uit hun huizen en
grondgebied naar de aanpalende Russische Tsjerta. Andere joden werden in het Westen al dan niet gedwongen samengedreven in getto's
zoals bijvoorbeeld het Roman Getto in Italië, het Josefov getto in Praag, Le Marais in Parijs, en in andere bekende Duitse getto's
zoals die in Frankfurt-am-Main en in Mainz. Aan de het bestaan van de Tsjerta kwam slechts een einde wanneer de Bolsjevisten van
Lenin, Trotski en Stalin in 1917 aan de macht komen, de laatste Tsaar vermoordden en Stalin de jodenvervolging -en dat al direct bij
het begin van de Russische Revolutie van 1917- onverminderd zal verderzetten.