In 1825 was Tsaar Nikolaas I (1796-1855), bijgenaamd de IJzeren Tsaar, tsaar Alexander I opgevolgd en zijn dertig jaar durende
regeringsperiode (van 1825 tot 1855) werd in feite een dertigjarige oorlog tegen de joden. De IJzeren Tsaar was
vast besloten om al zijn onderdanen die afweken van de 'ideale Rus' onverbiddelijk te russificeren. De Russische joden
vielen daar als eerste onder. Niet alleen verschilde hun godsdienst van de Grieks-Orthoxe religie van de doorsnee Rus, ook hun taal
en hun kleding verschilde. Russische joden vielen op door hun lange jassen, ook kaftans genoemd.
Cecil Roth beschrijft: "De behandeling die de Joden nu ondergingen en de speciale wetten die tot doel hadden hun levenskracht
te breken, vinden in hun geschiedenis hun weerga niet. Ze overtroffen zelfs de wetgeving van de katholieke kerk ten tijde van de
contrareformatie. Van de ongeveer twaalfhonderd maatregelen die in Rusland tussen 1649 en 1881 met betrekking tot de joden werden getroffen,
vallen niet minder dan de helft in de regeringsperiode van tsaar Nikolaas I."
Op 26 mei 1827 betekende tsaar Nikolaas I een nieuwe wet die bekend staat als de Kantonistische Besluiten.
Het woord 'Kanton' betekent militair kamp. Een van die besluiten bevat een bijzondere bepaling die de vijfentwintigjarige(!) dienstplicht voorschreef voor de 'dienstplicht van recruten' die aldus luidde:
"De door joodse gemeenten te leveren rekruten moeten in de leeftijd van twaalf tot vijfentwintig jaar zijn. De minderjarige
Joden, d.w.z. in de leeftijd beneden achttien jaar, moeten worden opgebracht in instellingen waar ze voor de militaire dienst worden
opgeleid."
De opleiding die zes jaar duurde en al op twaalfjarige leeftijd begon, gold evenwel slechts als voorbereiding. Deze tijd werd niet
meegeteld bij de dienstplicht van vijfentwintig jaar die met achttien begon en die trouwens ook voor de overige Russische mannen gold.
De Joden moesten bij elkaar dus eenendertig jaar dienstplicht vervullen! Vanaf 1827 dienden daaropvolgende 29 jaren tussen de
30.000 en 40.000 Joodse kinderen als 'Kantonisten'. Tijdens hun diensttijd werd geen moeite gespaard om deze Joden te bekeren naar
het christendom. De kindsoldaten werden 'heropgevoed' in de christelijke godsdienst en met lijfstraffen werden velen ertoe gebracht
zich te bekeren tot de orthodoxe religie, de godsdienst van Tsaristisch Rusland.
Onder verschrikkelijke omstandigheden overleefden slechts weinigen hun militaire dienst. Als ze dat al deden zagen ze zichzelf niet langer meer als Joden.
Wat de Joodse gemeenschap betrof, betekende gelijk welke keuze altijd de doodstraf. Sommige Joodse ouders waren de wanhoop zo nabij
dat zij de rechterwijsvinger van hun zonen afsneden met een slagersmes, want... zonder je wijsvinger kon je geen geweer afvuren en werd je uit
de militaire dienst ontheven. Andere ouders trachtten wanhopig hun zonen te verbergen voor de militaire dienst. De Kantonistische
Besluiten verhoogden de druk op de joden zoals nooit in Rusland voorheen het geval was.
In de praktijk werd er werkelijk op Joodse rekruten gejaagd. Zogenaamde 'chappers', beroepskidnappers,
schuimden het land af om jonge mannen en kinderen te stelen om hun quotum aan te vullen. Zodra een oproep van rekruten ergens op til
was, speelden zich wanhopige taferelen af. Hele groepen jonge Joden sloegen op de vlucht en verscholen zich in de bossen. Een ware kinderjacht
ontketende zich. Niettegenstaande de leeftijd op twaalf jaar was gesteld, werden ook minderjarigen tot acht jaar ingelijfd. Midden
in de nacht werden joodse families opgeschrikt door razzia's waarbij kinderen van hun moeders werden losgerukt. Alle 'kantonisten',
zoals men de kinderrekruten noemde, werden gezonden naar legergarnizoenen die ver verwijderd lagen van de Joodse getto's, de meeste
kinderen zagen hun ouders nooit meer terug.
De bekende Russische schrijver Alexander Herzen, was in 1835 getuige van zo'n kindertransport en beschreef dit
als volgt: "'Ziet u', vertelde de begeleidende officier hem, 'men heeft een hele troep van die jodenrakkers, jongens van acht tot tien jaar
en ouder opgepakt. Het bevel luidde eerst ze naar Perm over te brengen, maar daarna volgde een nieuwe opdracht en nu brengen we ze naar Kazan... De
officier die hen aan mij overdroeg, zei dat hij een hoop last met hen had; het derde deel was onderweg blijven steken. Ternauwernood de helft
zal de plaats van bestemming bereiken."
A. Herzen beschrijft verder de voor hem aangrijpende en schokkende gebeurtenis: "Weldra werden de kinderen gehaald en ze werden
in gelederen geordend. Het was een van de vreselijkste taferelen die ik ooit heb aanschouwd. Arme, arme kinderen! De twaalf- en
dertienjarige knapen zagen nog kans om overeind te blijven, maar de kleinen van acht tot tien jaar... bleek, uitgemergeld, bang,
stonden daar in hun zware, slechtzittende uniformen met de hoge kraag en keken met hulpeloze, om genade smekende blikken op naar de
soldaten die hen met ruwe hand opstelden; hun bleke lippen en de blauwe kringen onder hun ogen spraken van koorts en koude rillingen.
Zo liepen deze arme, van alle liefde en zorg beroofde... kinderen naar hun graf. Ik pakte de officier bij de hand en zei tegen hem:
'Heb medelijden met ze!', en ik sprong in mijn rijtuig; nog een ogenblik en ik zou mijn tranen niet langer hebben kunnen
bedwingen."