Na de dood van Nikolaas I werd hij opgevolgd door tsaar Alexander II (1818-1881, Tsaar vanaf 1855), bijgenaamd De laatste
grote tsaar. Onder Alexander II leek ook voor de Joden een nieuwe tijd aan te breken. De hervormingen leidden ertoe dat het
lijfeigenschap werd afgeschaft en de tsaar deed een ernstige poging om het land -naar het voorbeeld van west-Europa- te
industrialiseren. Veertig miljoen slaven werden bevrijd. Ook aan het treurige bestaan van de 'kantonisten' kwam een einde.
De militaire dienstplicht werd verminderd tot vijftien en later tot vijf jaar.
Onder zijn regeringsperiode kende Rusland een aanzienlijke gebiedsuitbreiding en dat vooral in Azië. De toenemende aanslagen
van de nihilisten, een politieke stroming ontstaan uit de zgn anarchisten, beantwoordde de Tsaar met harde politiemaatregelen.
Tegelijk echter liet hij een soort constitutie met vertegenwoordiging van de zemstvo's bij de regering ontwerpen. Zemstvo was een vorm van
zelfbestuur voor regionale regeringen.
Op 1 maart 1881 betekende hij deze nieuwe ingrijpende besluiten maar op dezelfde dag waarop hij dit plan
goedkeurde, werd hij vermoord door de Nihilist I. Grinevitskii, lid van de revolutionaire organisatie 'De Nationale Wil', die een
bom naar zijn koets wierp net toen de tsaar op weg was naar zijn winterpaleis in Sint Petersburg. De tsaar overleed ter plekke.
Op de plaats van de aanslag werd later de beroemde kathedraal van Sint Petersburg opgetrokken.
Na de dood van tsaar Alexander II werd hij opgevolgd door zijn zoon, de wrede tsaar Alexander III
(º1845, regeerperiode 1881-1894). De nieuwe tsaar trok onmiddellijk de decreten van zijn vader weer in. De leraar
van Tsaar Alexander III was het hoofd van de Heilige Synode van de Grieks-Orthodoxe Kerk, de autocraat en fanaticus Constantin
Pobjedonostzev, wiens program selchts drie punten bevatte waar de Tsaar zich volledig kon in terugvinden: absolute macht, supprematie
van de staatsgodsdienst en gedwongen russificatie. Hij drukte dat uit in een eenvoudige rekenkundige formule: een derde van de Joden
moest gedwongen worden om te emigreren, een derde moest worden bekeerd en gedoopt, en het laatste derde deel van de joden moest worden uitgehongerd
tot de dood.
Wanneer de problemen in Rusland groter werden, werden de problemen voor de Russische joden dat eveneens. Rusland verkeerde al decennialang
in een diepe economische crisis en ruim 400.000 Russische boeren waren al gestorven aan de gevolgen van armoede en hongersnood.
Om de volkswoede af te leiden van deze structurele problemen waar de joden helemaal geen schuld aan [konden] hebben, en vooral om
een nieuwe volksopstand die tot een politieke revolutie zou kunnen leiden te voorkomen, had de kersverse regering een
nieuwe zondebok nodig. De daders achter de moord op zijn vader hadden de tsaar en zijn religieuze mentor snel gevonden: de
Russische joden uit de Tsjerta waren de schuldigen en wie zou hen hebben kunnen tegenspreken?
Een golf van progroms trok in 1881 slechts zes weken na de installatie van de nieuwe regering door het land. Het was duidelijk
dat deze pogroms van hogerhand werden voorbereid en georchestreerd want zijn vonden overal tegelijk plaats. Het leger en de politie
lieten het Russische volk twee dagen lang, 27 en 28 april 1881, hun vernielingswerk doorgaan voordat ze op de derde dag de opstand
onderdrukte.
De eerste uitbarsting begon in Elisabethgrad in het zuiden van Rusland waar het gepeupel twee dagenlang de vrije hand kreeg
om joodse huizen en winkels te plunderen en kort en klein te slaan. Op 8 en 9 mei was het de beurt aan de joodse wijk in Kiev waar
de opgehitste massa meer dan duizend joodse huizen verwoestte, de synagoge platbrandde, en ongestoord kon moordden en verkrachtten
tot op de derde dag wanneer de de autoriteiten de bloedige orgie onderdrukten.
De golf van antisemitisch geweld sloeg van Kiev over naar de provincies Wolhynië en Podolië. In sommige dorpen
waren Russische boeren zelfs bang om niet deel te nemen aan de pogroms en de huizen van hun joodse buren niet te verwoesten, uit angst
dat zij gestraft zouden worden wegens het niet gehoorzamen van de bevelen van de tsaar. In Berditsjev had de joodse bevolking
het op een akkoord gegooid met de commissaris van politie, mits een aanzienlijke genoegdoening(!), en werd het de joden toegestaan om
hun bezittingen en zichzelf te verdedigen en werd een pogrom aldaar in de kiem gesmoord.
Ook in Odessa slaagden de joden erin de aanvallen van amokmakers af te slaan. In juli 1881 rolde er in Pereislav ten oosten van de rivier de Dnjepr, een tweede golf van
pogroms en in december sloeg deze golf over tot in de steden van Polen, waar de joden werden aangevallen en hun eigendommen vernield en verwoest
werden. Op 10 april 1882 vond in de provincie Podolië een van de bloedigste uitbarstingen plaats waar zowel de burgemeester,
als de commandant van het garnizoen en andere gezagsdragers openlijk samenwerkten met het gepeupel.