Het begon allemaal met de verzinsels van een 8-jarig kind...
Kielce kende voor de Tweede Wereldoorlog al een lange voorgeschiedenis van joodse aanwezigheid en dat sinds meer dan vijf eeuwen. In 1939
telde Kielce ongeveer 75.000 inwoners waarvan ruim 25.000 joden. Wanneer de nazi's op 1 september 1939 Polen in nauwelijks vier weken tijd
veroveren wordt ook Kielce bezet. Gelijktijdig wordt Kielce een belangrijk centrum van het Poolse verzet. In en om Kielce waren verscheidene
Partizanengroepen actief die de nazi's behoorlijk kopzorgen baarden.
Zoals overal elders in de door de nazi's bezette gebieden, werden ook de Joden in Kielce zwaar vervolgd. Aanvankelijk werden ze samengedreven in het Kielce Getto om later vermoord te worden in de
concentratiekampen, voornamelijk in het vernietigingskamp van Treblinka tijdens de zomer van 1942.
Op 29 mei 1943 was Kielce al het toneel geweest van een zinloze bloedige slachtpartij. 45 kinderen in de leeftijd tussen 13 maanden
en 13 jaar oud, afkomstig uit het kleine joodse getto dat zich bevond tussen de Yasna- en Stolarskastraat, die de deportaties van het vorige jaar hadden
overleefd, werden naar het kerkhof van Kielce gebracht en daar meedogenloos afgemaakt door de nazi's.
Op 15 januari 1945 werd Kielce dan door het Rode Leger ingenomen en ingelijfd bij het Sovjetimperium van Stalin. Overlevende
Joden keerden slechts met mondjesmaat terug naar Kielce. Op het ogenblik van de pogrom van 4 juli '46 waren er slechts 200[!]
joden van de vroegere 25.000 weergekeerd uit de kampen of uit de omringende bossen waar ze het einde van de oorlog hadden afgewacht.
Niet voor lang echter en wie de pogrom overleefde zal het zich nog lang heugen...
Op 1 juli 1946 verliet een Christen Pools jongetje, de 8-jarige Henryk Blaszczyk, het ouderlijk huis zonder zijn
ouders te waarschuwen. De kleine Henryk besloot om vrienden van zijn ouders een bezoekje te brengen die 25 kilometer verderop in het
dorp Bielaki woonden. Het was vakantie en het was niet de eerste keer dat Henryk op visite ging, de familie Blaszczyk had tijdens
de oorlog er nog een tijd gewoond. 's Avonds
begint een dodelijk ongeruste vader, Walenty Blaszczyk, een zoektocht naar zijn zoon. Tevergeefs, en tegen middernacht besluit de vader
zijn zoon als vermist op te geven aan het locale politiekantoor. Twee dagen later, het is dan 3 juli, heeft Henrykje er genoeg van
en besluit om huiswaarts te keren.
Bij zijn thuiskomst verkeren zijn familie en de buren in alle staten en vragen zich af wat er is gebeurd en waar hij al die
tijd (2 dagen dus...) was gebleven. Uit schrik voor sancties besluit de kleine Henryk om een smoes te verzinnen. Hij vertelt hen
dat hij op straat in Kielce een onbekende man ontmoette die hem vroeg om een pakje af te geven op een bepaald adres. Op dat ogenblik
zou die man hem hebben vastgegrepen en Henrykje in de kelder van het huis hebben opgesloten. Met de hulp van een andere daar
eveneens opgesloten jongen kon hij op 3 juli ontsnappen uit de kelder.
Het verhaal wordt meteen geloofd. Ongetwijfeld lieten deze mensen, en een dag later deed ook de hysterische massa dat die zich te buiten zal
gaan aan een beestachtige slachtpartij, zich laten inspireren door het zogenaamde bloedsprookje. Deze hardnekkige fabel
waarbij Christen kinderen worden gekidnapt door Joden, vetgemest en daarna hun bloed wordt afgetapt bij de bereiding van de matzes
voor het Pesachfeest [=de Joodse Pasen], vormt al eeuwen lang de basis voor de antisemitische theorie dat Joden zich schuldig maken
aan het plegen van rituele moorden en kannibalisme. Drie maanden voor de pogrom in Kielce, had de Jewish Press Agency in april 1946
geschreven dat "valse verhalen over rituele moorden gepleegd door Joden op Poolse kinderen, of, voor de verandering,
door zigeuners, bedoeld zijn om onrust te zaaien en pogroms uit te lokken." Alhoewel het in juli 46 al enkele maanden na Pasen was
zal de opgehitste meute zich hierdoor niet in het minst laten hinderen.
Twee geburen -Dygnarowicz en Pasowski- van de Blaszczyks wilden meer weten en een van hen vroeg of hij die onbekende kon beschrijven
als een Jood of een zigeuner. Henryk antwoordde dat zijn ontvoerder geen Pools sprak en dus wel een Jood kon zijn geweest. Wanneer een tweede gebuur hem een gelijkaardige vraag stelde,
wie hem precies in de kelder had opgesloten, kon Henryk helemaal geen informatie geven over de identiteit of nationaliteit
van die onbekende man. Anders gezegd, twee personen stelden suggestieve vragen aan de kleine Henryk en concludeerden daaruit dat
Joden wellicht de daders achter zijn verdwijning waren en die informatie werd ook zo doorgespeeld op het politiekantoor op de avond
van de 3de juli.
De volgende ochtend, om 8 uur van de 4de juli, willen Walenty Blaszczyk, zijn zoontje en een buurman verslag
uitbrengen van hun vermoedens op het politiekantoor. Op hun weg naar de politie lopen ze voorbij het woonblok in de
Plantystraat nr 7 dat altijd al bewoond werd door Joodse families en het Joods Huis werd genoemd. Volgens de getuigenissen van de vader
en de buurman vroegen ze aan de kleine Henryk of dit het huis was waar hij werd vastgehouden. Henryk knikte heftig van ja en deed
nog meer. Toevallig bevond zich aan het bewuste pand een kortgebouwde joodse man - Singer Kalaman- en Henryk wees die man aan als
zijn belager en ontvoerder die hem had opgesloten in de kelder. Aangekomen op het politiekantoor werd het ganse verhaal van Henryk als waarheidsgetrouw bevonden.
Vanaf dat ogenblik vloog het deksel van de [antisemitische] pot en wat volgde was bij de beesten af...