Vier dagen na de pogrom begroeven de Joden op 8 juli 1946 onder massale belangstelling hun 42 slachtoffers in een massagraf op de joodse begraafplaats van
Kielce. Er speelden zich dramatische taferelen af. Het nieuws van de pogrom wekte over de ganse wereld afschuw en ontzetting op.
Overlevenden van de Shoah die zo brutaal werden afgemaakt door hun Poolse medeburgers, tartte ieders verbeelding.
Na de pogrom werden in de loop der jaren verscheidene processen gehouden, om de waarheid en de toedracht van wat iedereen voor onmogelijk
had gehouden, te achterhalen. Tijdens het eerste proces werden negen mensen veroordeeld tot de doodstraf. In september en oktober
1946 werden andere processen gehouden in Kielce, deze keer werden niet enkel burgers aangeklaagd maar ook soldaten en
politieagenten. Onder de beklaagden bevond zich ook de commandant van het kantoor van de Veiligheidsdienst van
Kielce Majoor Sobczynski en het Hoofd van de Politie, maar beide werden vrijgesproken van alle schuld. De meeste mensen die terecht
stonden, waren willekeurig opgepakt en de processen zelf verliepen verre van normaal. Sommigen van de opgepakte mensen bleken
niet eens ter plaatse zijn geweest ten tijde van de pogrom.
Officieren van de Veiligheidsdienst konden iedereen die ze wilden laten oppakken. Tijdens hun ondervraging werden sommigen van
de verdachten mishandeld en gemarteld. Getuigen die werden opgeroepen ten gunste van de aangeklaagden werden niet eens ondervraagd.
Ook de Sovjet adviseurs, waaronder Szpilevoy die ook getuige was van de pogrom, werden niet aangeklaagd noch
ondervraagd. Dygnarowicz en Pasowski, de buren van de Blaszczyk familie die suggeerden dat de kleine Henryk in een kelder werd
vastgehouden door Joden, deze leugen verspreidden en aldus voedsel gaven aan de antisemitische onderstroom die bij het grootste
deel van de Kielce bevolking leefde die de werkelijke basis vormden van de gewelddadige massahysterie van 4 juli 1946, bleven ongestraft. Pasowski kwam
nooit voor de rechter en Dygnarowicz werd vrijgesproken.
Na de onafhankelijkheid van Polen in 1989 werd opnieuw een onderzoekscommissie aangesteld die klaarheid moest brengen wie er destijds
verantwoordelijk was voor de Kielce pogrom. Na vijf jaar onderzoek bleek de conclusie van 1994 nergens toe te leiden. 130 getuigen passeerden
de revue. Iedereen schoof de verantwoordelijkheid voor de pogrom naar de ander. De wildste hypothesen deden de ronde. Zo bijvoorbeeld de stelling dat
Sovjet-adviseurs de pogrom hadden uitgelokt zogenaamd om de Polen verder te onderdrukken als rabiate antisemieten en de Joden
anderzijds verder tot emigratie naar Palestina te dwingen zodat het gezag van Groot-Brittannië werd ondermijnd, G-B dat toen nog
Palestina bestuurde. Uiteindelijk werd de zaak als onopgelost en wegens gebrek aan bewijzen vertikaal geklasseerd.
De houding van de Poolse Katholieke Kerk, toch een belangrijke factor voor het diep religieuze Polen in dit ganse drama,
liet zich raden. Overlevenden in Israel verhaalden dat enkele dagen voor de pogrom, de spanning in Kielce aanzienlijk was toegenomen.
Een Joodse delegatie kreeg een onderhoud met Stefan Wyszynski, de bisschop van Lublin, maar kreeg te horen dat de kerk niet kon opkomen voor de Joden
"omdat ze het communisme naar Polen brachten". In zijn brief van 9 juli 1996 deed Charles Chotkowski,
directeur van het onderzoekscentrum van PAC's (Polish American Congress) Holocaust Documentation Committee, tien jaar geleden
een vertwijfelde poging om de verantwoordelijkheid voor de pogrom van de katholieke Polen af te schuiven naar de communistische
autoriteiten.
Hij vernoemde daarnaast ook een aantal pastorale brieven die de massacre veroordeelden maar 'vergat' wel de meer
gezaghebbende woorden te herhalen van de rooms-katholieke bisschop Wyszynski en kardinaal Augustus Hlond, toen de Poolse Primaat.
De pogrom werd destijds gerechtvaardigd als een antwoord op de geplande ontvoering van een Christelijk kind om zijn bloed.
Toen aan Bisschop Wyszynski werd gevraagd om de fabel van de Rituele Moord in te trekken, weigerde de bisschop dat. Volgens zijn
zeggen werd de stelling dat een rituele moord door Joden had plaatsgevonden en de aanleiding was geweest tot de pogrom, tijdens de verschillende opeenvolgende
processen niet weerlegd[sic]. Kardinaal Hlond weigerde om het antisemitisme te veroordelen met het argument "dat de pogrom tot op zekere hoogte
veroorzaakt werd door de Joden zèlf". De absurde stelling '"de communisten zaten erachter"'
kan hiermede voorgoed opgeborgen worden in het rijk der fabels 'toen de dieren nog spraken'.
De pogrom in Kielce werd een keerpunt in de naoorlogse geschiedenis van de Joden in Polen. Na de pogrom besloot de grote meerderheid
van de 200.000 Joden in Polen om het land definitief te verlaten. Tot aan de pogrom van juli 1946 wensten vele Poolse Joden om
in hun land te blijven, ondanks de toenemende invloed van de Zionisten. Voor de pogrom verlieten elke maand ongeveer 1000 joden
illegaal het land. In juli, augustus en september 1946 verlieten bijna 70.000 Joden Polen.
Tot de bewuste 4de juli 1946, gaven de Poolse Joden het verleden aan als de belangrijkste reden om te emigreren. De genocide
op de joden werd het beslissende keerpunt in de geschiedenis van het Poolse jodendom. Voor hen was het onmogelijk te leven
op een begraafplaats. Een memorandum van Poolse joden van februari 1946 bestemd voor het Onderzoeksbureau van het Anglo-American
Committee onderstreepte dat het antisemitisme een van de redenen was voor emigratie maar niet de belangrijkste. De vertegenwoordigers
van het Centraal Joods Commitee schreven: "De belangrijkste oorzaken voor Joodse emigratie liggen dieper, objectief, idealistisch en
psychologisch."
Na de Kielce pogrom werd deze situatie drastisch gewijzigd. Zowel Poolse als joodse verslagen spraken van een atmosfeer van
paniek onder de joodse gemeenschap tijdens de zomer van 1946. Joden geloofden niet langer meer dat ze nog veilig waren in Polen.
Ondanks het feit dat er in Kielce een grote politiemacht en militaire aanwezigheid was geweest tijdens de pogrom, werd Joden
in koelen bloede vermoord, in publiek en in een tijdspanne van nauwelijks vijf uren. Het nieuws dat zowel de ordediensten als het leger
hadden deelgenomen aan de pogrom verspreidde zich snel. Tussen juli 1945 en juni 1946 waren ruim vijftigduizend Poolse joden illegaal
de grenzen overgestoken. Na de pogrom verlieten in juli '46 twintigduizend Joden Polen, in augustus steeg dat tot dertigduizend en
in september 1946 verlieten andermaal 12.000 Joden Polen definitief.