De nazi's waren ook op de hoogte van het succes van Clarence en hadden al geruime tijd een prijs op het hoofd van Dewé gezet. Dewé
zou beter uitwijken naar Engeland maar hij was koppig, wilde van geen ophouden weten en weigerde zijn organisatie uit handen te
geven. Het jaar 1944 begon slecht voor de organisatie. Sinds 1940 opereerden twee dochters van Dewé, Marie en Madeleine, en zijn
zoon Jacques voor de organisatie. Op 7 januari 1944 werden de twee jonge vrouwen opgepakt in hun huis, gelukkig kon Jacques
zich verbergen en ontkomen.
Dezelfde dag vielen ook mevrouw Maurice Morimont geboren Berthe Lambrecht, agente voor Clarence en Comête, en haar twee dochters
Lucienne en Anne, alsmede Anne-Marie zuster van Fernand Ferier, in handen van de nazi's. Lucienne en Anne Mormimont zullen zes weken
later bevrijd worden. Echter, Berthe Morimont, Marie, Madeleine en Anne-Marie werden afgevoerd naar het beruchte vrouwenkamp van
Ravensbrück. Marie Dewé zal het overleven maar Madeleine Dewé stierf op 15 januari 1945 van uitputting en ontbering in het
kamp van Ravensbrück.
Dewé, ondanks het verdriet van zijn twee gearresteerde dochters, zette onverdroten zijn acties verder. Nauwelijks een week na
deze feiten verneemt Dewé dat de nazi's het adres van Thérèse de Radiguès op het spoor zijn gekomen en hij
haastte zich naar Brussel om haar te waarschuwen. Bij zijn derde poging om haar te waarschuwen, het is dan 14 januari 1944, zit hij
tien minuten in haar huis op haar terugkomst te wachten wanneer op dat ogenblik de Duitse politie binnenvalt en Dewé arresteert.
Bij zijn overbrenging naar de gevangenis van Sint Gillis weet Dewé zich los te rukken en vlucht weg in de richting
van de Kroonstraat en de Brouwerijstraat. Een officier van de Duitse Luftwaffe die toevallig in de buurt is, ziet de vluchtende
Dewé wegrennen, trekt zijn pistool en opent het vuur. Getroffen door twee kogels zakt Dewé dodelijk getroffen in elkaar en sterft
in volle straat. Dag op dag, precies één jaar nadat eerder zijn echtgenote op 14 januari 1943 aan een hartaandoening was overleden, was
definitief het doek gevallen over de Reus van het Verzet Walthère Dewé!
De Duitsers hebben nooit geweten welke 'grote vis' ze op die dag hadden uitgeschakeld. Dewé had namelijk die dag een valse
identiteitskaart op zak op naam van Muraille en zij zullen nog tot aan het einde van de oorlog Dewé vruchteloos blijven
opsporen. Het netwerk bleef na deze grote klap, gewoon verder draaien tot aan de bevrijding. Clarence verloor nog verschillende
medewerkers waaronder een paar grote leiders zoals Léon Calmeau, de chef van de provinciale sector Luxemburg en
Jean de Moreau d'Andoy, chef van Namen, die tijdens hun deportatie omkwamen.
Jean Lamy, de agent die begin januari 1941 de eerste zendappatuur leverde aan Clarence zodat die eindelijk goed aan de slag
konden, werd al vroeg opgepakt en op 10 januari 1942 gedoodvonnist. Hij kwam wel vrij maar overleed later aan de gevolgen van de doorstane
martelingen bij zijn verhoor. Dankzij de ijzeren discipline onder de leiding van Dewé kwamen uiteindelijk 'slechts' 43 agenten van
de 1.547 om het leven.