Albert leert er ook zijn grote liefde kennen Rachel Souritz, 'Martha', met wie hij na de oorlog in het huwelijksbootje stapte.
Martha was uit Antwerpen afkomstig en Antwerpenaars zag Albert niet zo graag afkomen bij de Partizanen. Lawaaierig, snoevend over hun daden,
exentriek.. in het verzet bleef je zo niet lang in leven. Daarvoor moest je goed kunnen zwijgen en vooral niet opvallen. Echter, Martha
was dè uitzondering. Albert over zijn Martha: "[..] zij was van Antwerpen. Zij was ook een jodin. De man niet, maar die
zijn gepakt geworden, ik weet niet in welk omstandigheden. Ze zijn dan ter dood veroordeeld met vieren, alle vier gefusilleerd.
De vier eersten die in België gefusilleerd zijn, daar was haar man bij. En dan moest zij uiteraard ook in de clandestiniteit
gaan. En dan hebben ze haar naar mij gestuurd in West-Vlaanderen en zo heb ik haar leren kennen. En ik heb haar dan ondergebracht
in Houthulst. Dat was ook een bijzondere gemeente, daar is ze ondergedoken bij de secretaris van Winterhulp."
De strijd van de Partizanen tegen de bezetter en de collaborateurs werd intussen alsmaar grimmiger. Een oproep vanuit de KP in Moskou
wordt overgenomen door het partijblad van de KPB, De Rode Vaan in juni 1942: "De oproep van Stalin zal ons volk beantwoorden door het doen toenemen
der sabotage, der aanslagen tegen de nazi-oorlogsmachine en transporten, door de uitroeiing van de verraders. Vervolgt de verraders zonder genade.
Dat hun huizen bejudast worden, hun ruiten ingegooid. Dat de granaten in hun woningen ontploffen. Beeft verraders van het VNV! Als honden
zult gij creperen onder de kogels van de patriotten."
Aanvankelijk gaf het Nationaal Commando der Gewapende Partizanen het bevel om doelwitten te selecteren. Maar later kwam het bevel om, anders dan de meeste andere
verzetsgroepen, zich niet enkel te richten tot sabotagedaden maar ook rechtstreeks tot personen. Duitsers en collaborateurs mogen zonder pardon direct
fysiek geliquideerd worden. In het eerste nummer van hun clandestiene periodiek Le Partisan (De Partisaan) worden er geen doekjes om gewonden:
"De gewapende stoottroep, de gewapende voorpost van Europa samengesteld uit vastberaden manschappen die geen lijsten van verraders
opstellen, maar ze neerknallen, die de productie niet afremmen, maar de machines doen springen, de voorraden in brand steken,
de treinen doen ontsporen en die Duitsers naar het paradijs van Wotan sturen!"
Albert over het liquideren van zwarten -collaborateurs met de Duitse bezetter: "[..] er was een
melkerij waar de boeren hun melk leverden en die melkerij maakte de boter voor het Duitse leger. Dus we hadden besloten om die
melkerij in de lucht te doen vliegen. En dat viel wel in goeie aarde bij die boeren, die vonden dat niet slecht. We zijn dan
erop af getrokken in Moorslede en op een gegeven ogenblik waren er twee moto’s die afkwamen, we zagen die lichtjes die zo
afgeschermd waren, en ineens staan die voor ons met de revolver. Handen omhoog om ons af te tasten. Dat waren gendarmen die
gerekruteerd waren door Van Coppenolle, dat waren zwarte gendarmen. Van Coppenolle was een oud-militair, majoor was die, ik heb
die gekend. En ze vroegen dus onze papieren. Maar wij hadden de gewoonte van onze revolver niet in onze broekzak te steken maar
in onze binnenzak. Dus ze vroegen onze papieren en dan padaf! En er lagen er twee tegen de grond direct. En wij moesten op de
vlucht.
En dan komt het verhaal na de oorlog, dan werd ik opgeroepen door de rechtbank van Ieper. Daar waren oude gendarmen die
daar hun post hadden en ze vertelden, "we zaten met de kaarten te spelen en we hoorden schieten en we dachten ’Victor is bezig’".
Victor dat was ik. Ze kenden mij (lacht) en ze hoorden schieten en ze zeiden "we hebben niks gehoord hé. Troef!" en ze speelden
voort kaarten. Maar zeiden ze "D’er is er nog ene neergeskoten vur de dure. Ja, dan moesten we wel butten komen". Ja, dan lag
die daar ook, de vierde gendarm. En dan waren we weg hé. En daar zijn wij voor vrijgesproken. Vier gendarmen die we in ene slag
hadden. Hadden ze zich niet met ons gemoeid, dan hadden ze misschien nog geleefd."
De nazi's blijven niet werkloos toezien. Meedogenloos maakt de Geheime Feldpolizei en de Abwehr (Duitse contraspionagedienst)
jacht op de leden van het Onafhankelijkheidsfront en de Gewapende Partizanen. Voor elke aanslag worden onschuldige gijzelaars opgepakt
en terchtgesteld. De jaren 1943 en 1944 leven in een klimaat van terreur en contra-terreur. In juli 1943 werd de illegale drukkerij
ontdekt waar De Rode Vaan (Le Drapeau Rouge) werd gemaakt. Een grote golf van aanhoudingen volgt waardoor de KPB-top en het
Partizanenleger bijna noodlottig wordt. De toenmalige Nationale Commandant Pierre Joye en de stafchef Jacques Grippa werden
aangehouden. Zij belanden in het beruchte Fort van Breendonk en later in de concentratiekampen in Duitsland. Nagenoeg de ganse
P.A. leiding valt in handen van de Gestapo, tot en met practisch alle korpscommandanten, behalve dan Raoul Baligand, sectorcommandant van Leuven
Louis Van Brussel en nog enkele anderen.
Albert De Coninck, intussen korpscommandant, reorganiseert zijn korps en wist alle sporen naar de Gestapo uit. De
Partizanenkorpsen van Noord- en Zuid-West-Vlaanderen worden samengevoegd. Later werd hij commandant voor de beide Vlaanderen, en
begin 1944 leidde hij de partizanen in alle Vlaamse provincies. Enkele maanden voor de bevrijding wordt Albert De Coninck terug naar
Brussel gehaald om er als staflid in het Nationaal Kommando van de Partizanen de eindstrijd voor te bereiden.
Albert: "Op het laatste ben ik opgeroepen om de twee korpsen te leiden van Oost- en West-Vlaanderen
en dan heb ik mij moeten vestigen aan de kanten van Gent, Heusden, in de gemeente Heusden. Daar heb ik dan een tijd gelogeerd.
Dat was al naar het einde toe van de oorlog. En dan begonnen de flikken, de Belgische flikken contact te zoeken met ons. Maar
dat heb ik geweigerd, want die betrouwde ik niet zenne. Ik zei, gij godverdomme, ge hebt heel de oorlog met de Duitsers gewerkt
en nu wordt je patriot, op het laatste. Salut! Ik ben daar niet op ingegaan. En gans op het laatste ben ik naar Brussel geroepen
in het Nationaal Commando van het Partizanenleger."