Onder impuls van Gerard Van Moerkerke wordt Albert op 11 september 1941
naar West-Vlaanderen gezonden om daar een afdeling van het Partizanenkorps op te richten. Zijn militaire
ervaring, maar vooral zijn Guerilla-ervaring in de strijd tegen Franco tijdens de Spaanse Burgeroorlog, zijn onbetwistbare
leiderscapaciteiten en ook zijn onopvallend uiterlijk en kleine gestalte (hij mat nauwelijks 1m62!) maakte van hem tot de
geschikte figuur. Albert trekt naar Kortrijk en duikt onder bij de familie van Julien Van Craeynest. Het huis blijkt een prima observatiepost te zijn,
want vanuit het raam ziet hij aan de overkant van de straat het gebouw van de Geheime Feldpolizei, de Feldgendarmerie en de Kreiskommandantur liggen. Bovendien
leek het een ideale schuilplaats want de Duitsers zouden nooit verwachten dat rechtover zich een leider van de Partizanen schuilhield.
Vanuit zijn schuilplaats kan hij alles goed in de gaten houden en komt in actie. Albert De Coninck engageert een jonge vrouw:
"[..]die vrouw, die absoluut niet heeft gedacht aan weerstand, heb ik gevraagd om de nummerplaten op
te nemen van de auto’s die stopten aan de Kommandatur. En me die door te geven. Ik herinner me nog, ze schreef met bevende hand
op, de nummerplaten van die auto’s. Want die voor de Duitsers werkten, die konden auto rijden, die kregen toelating. Dus ze gaf
me die nummerplaten door. Ondertussen had ik al contact in West-Vlaanderen, in Kortrijk met de ontvanger van de belastingen.
En ik schoof hem die nummerplaten door: wie is dat. En een dag of twee nadien kreeg ik naam en adres van die typ met die auto en
die kreeg dan enkele dagen later een kogel in zijn hoofd. Die wist natuurlijk niet vanwaar dat kwam. (lacht) En dat was de
ontvanger van de belastingen die het adres doorgaf van die typen. Enfin, ik ben daar dan praktisch heel de oorlog gekomen.
Niet elke dag maar dat ik daar kon logeren. Over de Kommandatur. Die hebben natuurlijk nooit gedacht dat ik daar aan de
overkant zat."
Albert De Coninck is in het West-Vlaamse tot dan een onbekende. Echter tegen de zomer van 1942 heeft Albert al een gans
netwerk uitgebouwd. Hij neemt er vele pseudoniemen aan en slechts weinigen zijn op de hoogte van zijn echte naam. Commandant
Dierckx, luidt zijn pseudoniem in het partisanenleger. En mijnheer Soenen, die vriendelijke handelsreiziger die is ook gekend.
Victor is een pseudoniem die altijd aan hem zal blijven plakken en later nog verkort zal worden tot 'Vic'.
Bijna drie jaar leeft hij ondergedoken. Als communist slaagt hij erin om regelmatig eten te krijgen, veelvuldig een nieuwe
slaapplaats te vinden, zich onopgemerkt te verplaatsen naar zijn afspraken, sabotageacties te organiseren, de boeren te overtuigen
tot een melkstaking… Je taak uitvoeren en toch niet opvallen, een netwerk uitbouwen, te beginnen aan de stationskachel, je de
streektaal eigen maken, tegelijkertijd informatie oppikken, een wie-is-wie van de regio in je geheugen prenten… Als stadsjongen
het vertrouwen van de boeren winnen, werken met mensen die helemààl je ideologische uitgangspunten niet delen, maar die hém
vertrouwen: boeren, een pastoor, een burgemeester, anglofielen… En niet alleen voor jezelf zorgen, maar ook nog eens anderen
verbergen, ze de oorlog laten overleven, een geallieerde piloot, ontsnapte Russische krijgsgevangenen… Fenomenaal.
Albert: "De mensen spraken me niet aan. Ten eerste moest je in sneltempo het dialect leren. Dat
heb ik gedaan. Kant nog alti koeten, né. Om te kunnen opgaan in de bevolking. Dan ging ik contacten zoeken in de kanten van
Roeselare. Daar heb ik een tijd gelogeerd bij mensen, doodarme mensen, die gingen leuren met lintjes en spelden, wat weet ik
allemaal zo, bij den boer. Om wat te verdienen. Daar mocht ik logeren. Maar die gingen ’s morgensvroeg om 6 uur weg, in de winter.
Dan moest ik ook buiten. Want als ik alleen buiten kwam, later toen die mensen weg waren, dan zagen de geburen dat. Ik trok
op naar het station van Roeselare waar tenminste een stoof brandde, waar je kon opwarmen. Maar dat viel niet direct op, dat er
een aantal buitenslapers zoals ze noemden, buttenslapers, die ook aan die stoof stonden. Dat waren allemaal mannen met een
beetje een duister verleden die beter deden van te zwijgen dan van te spreken. Maar die niettemin, laat ons zeggen, patriottisch
waren. En ik mengde mij daartussen, tussen die buitenslapers en zo begon ik, hoorde ik, de die en ze kenden de die. Dat is een
patriot, en dat is een patriot. En zo kreeg ik mijn informanten zonder dat ze wisten dat ze informanten waren.
En dan ben ik zo terecht gekomen van daaruit in Moorslede, een dorpje. Daar heb ik dan mijn eerste kwartier kunnen oprichten. Want dat was nog
iets bijzonders, in die streek was een kleine protestantse kerk en die leefden praktisch illegaal want die zaten onder druk
van de katholieke kerk en die durfden zich als protestant bijna niet manifesteren. Maar als oppositie tegen die kerk waren ze
ook anti-Duits. En via die kleine protestantse kern kwam ik dan weer terecht bij de ene en de andere boer. Die ook clandestien
protestant waren. En zo bouwde dat langzamerhand op. [..] Die streek was de oude frontlijn van ’14-’18 waardoor het soort
van patriottisme daar nog altijd leefde. En of dat nu links of rechts was, ze waren patriot. En dat was een goeie bodem om te
kunnen werken. En zo hebben we dat daar uitgebreid en ben ik bij verschillende boeren waar ik kon logeren, eten,
geen probleem."
Aan wapens en explosieven geraken was een voortdurend probleem. Vanuit Londen werden dikwijls parachutages beloofd, maar op
een paar geslaagde na in Wallonië is er nooit geen enkele toegekomen in Vlaanderen. Dat blijft tot op heden één van de
zovele fabels die na de oorlog bleven circuleren. Wapens moesten worden buitgemaakt op de Duitsers of bij de collaborateurs,
of zelf gemaakt. Bovendien mocht je zeker nooit met een wapen op zak rondlopen want bij controle door de Feldpolizei kwam e
onherroepelijk in de gevangenis en later naar de kampen. Maar Albert bleek bijzonder creatief: "Daar
was een meisje, ik geloof dat ze pas gestorven is ook, ze was iets jonger dan ik. En zij moest het transport doen van springstof,
TNT van Brussel naar Brugge. En dat was een pak met blokjes dynamiet. En ik had haar uitgelegd, ze stapte op in de gare du Midi
in Brussel, het Zuidstation. En ik had haar uitgelegd dat ze moest wachten tot die treinwachter op zijn fluitje blaast voor
op de trein te gaan, en je neemt de laatste wagon. De laatste wagon, dat was ’Nur für Wehrmacht’, daar mochten alleen Duitse
soldaten op. En ik zeg, probeer bij die Duitse soldaten te geraken met uw dynamiet. Die deed dat ook en dus, met dat die
treinwachter floot, kwam zij aangelopen met haar pak dynamiet. En die Duitse soldaten die hingen door de venster en ze pakten
die binnen en ze zetten dat pakje dynamiet boven hunne kop (lacht)."