Ontsnappingslijnen zoals de Pat Line van Pat O'Leary, alias van
Albert Guérisse en Comête (Komeet) van
Andrée 'Dédé' De Jongh, waren van enorm belang voor de geallieerden strijdkrachten die zich verzamelden in Groot-Brittannië. Voorafgaand aan de Landing in Normandië op 6 juni 1944, was
veel eerder de luchtoorlog begonnen tegen nazi-Duitsland. Van zowel de Britse Royal Air Force (R.A.F.) en later ook de Amerikaanse
United States Air Force (U.S.A.F.) worden tijdens de duizenden luchtraids vele jachtvliegtuigen en bommenwerpers met
hun bemanningen neergehaald.
Zij die de crash overleefden in vijandelijk bezet gebied, moesten dan maar trachten op eigen houtje
weer hun eenheid te vervoegen. Velen werden gearresteerd en opgesloten in gevangenissen en later in de concentratiekampen. Anderen
hadden meer geluk en konden onderduiken bij het verzet of bij de locale bevolking als die hun al gunstig gezind waren, wat niet
altijd zeker was.
Vliegtuigen verliezen was één zaak, die konden relatief snel bij geproduceerd worden, maar piloten en bemanningen vervangen, waar
vele kostbare en intensieve opleidingen en man-uren in werden geïnvesteerd, die konden behalve het menselijke aspect, maar moeizaam
vervangen worden. Bovendien is het verlies van piloten en bemanningen voor diegenen die achterblijven een harde morele opdoffer.
Vandaar het grote belang, zowel voor het moreel van de achterblijvers als voor het op peil houden van de slagkracht van de
van de geallieerde oorlogsmachine in casu de luchtmacht, dat zowel door de Engelsen als door Amerikanen werd gehecht aan
de ontsnappingslijnen.
De kosten van de
repatriëring van de piloten en bemanningen werden gedragen door de Britse overheid, via de Britse geheime dienst MI 9. Burgers
die naar Engeland wilden vluchten, betaalden zelf de kosten. Gekende ontsnappingslijnen waren bijvoorbeeld Dunbar, Jam, Tempo en Dragon. Maar de belangrijkste twee waren toevallig
ook Belgische ontsnappingslijnen: Comêt en de Pat Line , die al van bij hun ontstaan door de Engelsen - en later ook door
de Amerikanen- met man en macht werden bijgestaan.
Door de Belgen en vooral door de Belgische Regering in Ballingschap te Londen, werden hun bijzondere inspanningen in veel
mindere mate gewaardeerd en achteraf ook matig gehonoreerd. De Belgische regering in Londen investeerde bij voorkeur in de
Inlichtingendiensten, zoals bv Clarence van
Walthère Dewé, zodat ze in Londen op de hoogte bleven over de toestand en het moraal in België.
Het is dan ook geen toeval dat de grootste onderscheidingen die Albert Guérisse en Andrée De Jongh na de oorlog mochten ontvangen,
uit Engelse handen kwam. Beide grote helden van het verzet eindigden hun laatste oorlogsjaren in de concentratiekampen en het
mag een mirakel heten dat ze daar beiden nog levend zijn uitgekomen.