
Na de oorlog zal minister Antoine Delfosse nog enkele malen in opspraak komen voor zijn onduidelijke houding
in de zomer van 1940 omdat hij meteen na de bezetting Koning Leopold III zijn ministeriële steun had aangeboden.
Koning Leopold zou afwijzend hebben gereageerd op het aanbod van Delfosse om zijn besluiten mede te ondertekenen,
hetgeen hem in staat zou hebben gesteld zich van de ministers van de afwezige regering-Pierlot te ontdoen en een nieuwe regering in
Brussel te vormen. Een maand vroeger -20 juni 1940- zou voormalig minister Paul Tschoffen een gelijkaardige poging hebben ondernomen
en er bij graaf Capelle op aangedrongen dat "de Koning zonder uitstel zijn functies opnieuw diende op te nemen en de
ministers die in het buitenland bleven diende te vervangen, aangezien deze in de onmogelijkheid waren hun functies uit te
oefenen."
Voor de vervanging dacht hij aan een 'nationale regering die in staat was zijn bevoegdheden officieel
en efficiënt uit te voeren'. Na dit bezoek liet Tschoffen een (in heftige woorden) opgestelde brief aan de secretaris van de
Koning geworden en, op 8 juli '40 richtte hij nog een veel langere brief aan de Kabinetschef van de Koning, dhr. Frédéricq, waarin
hij verklaarde waarom 'de Koning zo spoedig mogelijk een regering in België diende te vormen'.
Paul Tschoffen en Delfosse kregen op al hun verzoeken echter een negatief antwoord en waren van oordeel dat ze op kwetsende wijze door de Koning waren
afgewezen. De halstarrige houding van de Koning behoedde hen ervoor zichzelf en de hele toekomst van de Belgische regering in
ballingschap te compromitteren. Later keerden ze zich tegen Leopold. Wanneer ze, respectievelijk in 1942 en 1943, Engeland
bereikten, bleek het dat zij bitter wrok tegen de Koning koesterden. Beide mannen werden in Londen in de regering Pierlot
opgenomen…. Ze zwegen echter over hun vroegere pogingen om het ontslag van de regering Pierlot te bewerkstelligen en haar
door een door de Koning geleide regering te Brussel te vervangen. Een en ander zal enkele jaren later leiden tot wat nu bekend is
geworden als 'de Koningskwestie'.
In juni 1945 richtten Antoine Delfosse, Pierre Clerdent, Joseph Fafchamps, samen met nog enkele anderen, een zogeheten 'verzetspartij' op: de UDB/BDU
(Union Démocratique Belge/Belgische Democratische Unie), een travaillistische, hoofdzakelijk Franstalige
partij ontstaan uit het verzet, die drie ministers kreeg zonder dat ze zelfs verkozen waren. Tijdens de eerste naoorlogse
verkiezingen van 17 februari 1946 haalt deze partij maar 1 zetel wat meteen het vroegtijdige einde van de UDB/BDU betekende.
Na de bevrijding werd Clerdent Voorzitter van het Nationaal Coördinatiecomité van de Weerstand. Pierre Clerdent was in 1945 gouverneur van Luxemburg geworden en zal dat blijven tot 1953. In 1953 werd hij goeverneur van de provincie Luik en dat tot in 1971.
Nadien was hij nog gecoöpteerd senator voor de PSC, de Franstalige christen-democratische partij. Hij bekleedde daarnaast belangrijke posten in het bedrijfsleven ondermeer
als afgevaardigd beheerder van Cockerill.
Graaf Clerdent ontving vele onderscheidingen en kreeg ondermeer de militaire graad van
Kolonel van de Weerstand. Later werd Clerdent door de koning in de adelstand verheven als Graaf Pierre Clerdent. Hij zette
zich enthousiast in voor de doortocht van de HST-trein doorheen Wallonnië en bereikte dat in zijn geliefde Luik een halte
werd afgedwongen. De lange tunnel die onder Luik doorloopt waar doorheen de HST raast, werd naar hem genoemd.