Op 10 mei 1940 werd België aangevallen door Duitsland. Doordat de legers zo snel opmarcheerden vertrokken
veertien ministers met hun kabinetten op 16 mei naar Oostende om al de volgende dag naar Le Havre door te reizen. Intussen
pleegden vier ministers druk overleg met Koning Leopold III om hem ertoe te bewegen hen naar het buitenland te volgen en van daar uit
de strijd tegen de vijand verder te zetten. Pierlot, Spaak, Denis en Vanderpoorten hadden nog op 20, 21 en 25 mei verschillende ontmoetingen
met de koning maar tevergeefs, de koppige koning had zijn eigen agenda (dat zou pas veel later blijken!) en bleek er niet van te overtuigen om hen te volgen om vanuit het buitenland de oorlog voort te
zetten.
Op
28 mei 1940 vergaderden dertien ministers in Parijs en, daar de koning in handen van de vijand was gevallen, verklaarden zij dat
de koning in de onmogelijkheid verkeerde om te regeren. Een volkomen wettig besluit op basis van de toenmalige Grondwet. Op 31 mei 1940, drie dagen nadat de koning, tegen het advies van de regering in, toch de capitulatie had betekend en
de facto een ongrondwettelijke handeling had verricht, kwam in Limoges de Belgische Regering bijeen. Van de 369 parlementsleden
konden er door de oorlogsomstandigheden slechts 143 aanwezig zijn. Op twee na, steunden alle aanwezige parlementsleden
unaniem het optreden van de regering.
Van dat ogenblik af, en aangezien het Parlement -waarvan sommige leden zich nog in bezet gebied bevonden- nog onmogelijk bijeengeroepen kon worden
om een Regent aan te stellen ofwel haar normale wetgevende functie kon uitoefenen, werden de grondwettelijke attributies van de Koning overeenkomstig artikel
79 van de Belgische Grondwet waargenomen: "...in naam van het Belgische Volk, door de in Raad vergaderde Ministers en
onder hun verantwoordelijkheid." Alle koninklijke besluiten -t.w. de beslissingen van de Uitvoerende Macht onder 's Konings handtekening-
namen nu dienovereenkomstig de vorm aan van "besluitwetten (B.S.)" onder de handtekening van de in Raad vergaderde
Ministers.
Vanaf het ogenblik dat de Regering zich in Londen had gevestigd -31 oktober 1940 (B.S., 22.11.1940)- kon de Regering in feite
van start gaan met regeren, besluiten te stemmen, contacten met het bezette land organizeren en zich voor te bereiden
om het land na het einde van de oorlog opnieuw op te bouwen en de orde te herstellen. Dat het de regering menens was met de naoorlogse bestraffing, klonk
al in oktober 1940 door bij monde van een radioboodschap van Premier Pierlot die overal in ons land kon ontvangen worden waarin hij de vervolging
van al zijn landgenoten die fout waren, in het vooruitzicht: "Wat de verraders betreft, houdt ze in het oog.
Bereidt uw getuigenissen voor. Legt dossiers aan. Maar wacht op het uur van de gerechtigheid: onbuigbaar, snel, maar wettelijk
en omringd door alle waarborgen die de openbare mening eist." De collaborateurs waren verwittigd!
Op 21 september 1944 werd de broer van
Koning Leopold III, Prins Karel in aanwezigheid van Koningin-Moeder Elisabeth I, aangesteld tot Regent van het Koninkrijk België.
Prins Karel legde op 20 september 1944 de grondwettelijke eed af: "Ik zweer dat ik de Grondwet en de wetten van het Belgische volk zal naleven,
's Lands onafhankelijkheid handhaven en het grondgebied ongeschonden bewaren." (art. 80 en 83 van de Grondwet) Prins
Karel zal Regent van België blijven tot 20 juli 1950. Twee dagen later keerde Koning Leopold III terug naar België en de Koningskwestie
brak uit. Die duurde nog een vol jaar tot wanneer op 17 juli 1951 Leopold III troonsafstand deed ten voordele van zijn zoon Boudewijn I.
Naast een indrukwekkend aantal Besluiten, bereidde de Belgische Regering ook de bestraffing voor van
zij die met de bezetter hadden gecollaboreerd. De Besluit-wet van 17 december 1942 (B.S., 29.12.1942) bevatten de artikelen
113, 117, 118bis en 121bis van het Strafwetboek, die handelen over misdrijven tegen de uitwendige veiligheid van de Staat. Zij waren voornamelijk gewijzigde besluiten die reeds eerder na de Eerste Wereldoorlog werden gestemd.
Artikel 113 dat van de eerste wereldoorlog dateerde en bepaalde dat elke Belg die
de wapens tegen België heeft opgenomen (militaire collaboratie), bestraft wordt met de doodstraf. Dat artikel
werd aangevuld door de nieuwe besluitwet die bepaalde, dat hulp aan de vijandelijke legers (namelijk het verrichten van strijd, vervoer, arbeid of bewaking
die normaal op de vijandelijke legers of hun diensten rustte) met het voormelde misdrijf worden gelijkgesteld. Met deze uitbreiding konden
bijvoorbeeld Belgische chauffeurs van het N.S.K.K. worden veroordeeld alsmede Belgische arbeiders in Duitse kazernes of
bewakingsdiensten, zoals bv de Vlaamse Wacht en de Fabriekswacht, worden bestraft.
Artikel 117 stelde de Bondgenoten van België gelijk met België zelf voor de toepassing van de bepalingen
zoals die van artikel 113. Anders gezegd: wie de wapens tegen de Bondgenoten van België heeft opgenomen, wacht
dezelfde straf. De nieuwe Besluit-wet breidde deze bepaling nog verder uit naar de Staten die in oorlog zijn met een Staat waarmee
België in oorlog is. België had bijvoorbeeld geen bondgenootschap met de Sovjet-Unie maar sinds die Staat sinds
22 juni 1941 (Operatie Barbarossa) werd aangevallen door Duitsland, betekende dat concreet dat wie de wapens heeft
opgenomen tegen Rusland, eveneens onder dezelfde strafbepaling viel als artikel 113. De Oostfronters waren verwittigd,
hen wachtte mogelijk ook de doodstraf! In elf gevallen werd die ook daadwerkelijk uitgevoerd.
Artikel 118bis stelde de hulp aan de vijand strafbaar, die strekte tot de hervormingen van
onze wettelijke instellingen (administratieve collaboratie) of organisaties, alsook elke handeling waardoor de trouw aan de koning en aande Staat
aan het wankelen wordt gebracht. Propaganda met dat doel, zowel als propaganda tot ondermijning van de geest van verzet tegen de vijand wordt
strafbaar gesteld en de verschillende misdrijven, bepaald bij artikel 118bis, konden met de dood worden bestraft.
Artikel 121bis voorzag in een strengere bestraffing van verklikking, wanneer een verklikte aan enige
geweldpleging vanwege de vijand werd blootgesteld. Bovendien werd bij bijzonder ernstige gevallen van verklikking waarbij het
slachtoffer als gevolg van deze verklikking de dood vond, eveneens bestraft met de doodstraf. Bekende voorbeelden zijn de
verklikster Irma Laplasse-Swertvaeger en aan Franstalige zijde de Rexistische verklikkers Joseph Hoogeveen en Paul Herten.
Al de wijzigingen en aanvullingen hadden geen retroactieve werking: zij betroffen enkel de daden van collaboratie van na de
datum van 17 december 1942. Een andere belangrijke besluitwet die bestraffing van collaboratie betrof, was die van 29 juli 1943
(B.S. 4.08.1943) waarmee een Hoge Commissaris voor de Staatsveiligheid werd aangesteld. Zijn taak bestond erin alle maatregelen
met het oog op de ordehandhaving in het bevrijd grondgebied, en de activiteiten van de geheime diensten van het Bestuur van de
Veiligheid van de Staat en van de tweede directie van het Ministerie van Landsverdediging te coördineren en de vervolging
voor te bereiden van de personen die met de vijand hadden gecollaboreerd.
Er volgden nadien nog een ganse reeks besluitwetten die als strafrechterlijke maatregelen door de Regering in Ballingschap
werden uitgevaardigd en die werden aangenomen als bindende wet en ook zo werden toegepast. Het Hof van Cassatie verklaarde de
wetgeving in ballingschap, met inbegrip van de strafrechtelijke bepalingen, volledig rechtsgeldig.
Opmerking: Deze lijst blijft onder voorbehoud en nog lange tijd voor verbeteringen en aanpassingen vatbaar.
Hiermede verzoekt Verzet.org aan het belangstellend lezend en surfend publiek, om zoveel mogelijk aanvullingen, namen, gegevens,
en eventueel beeldmateriaal naar Verzet.org toe te zenden. Dat kan via het contact-formulier of rechtstreeks naar het emailadres: info-at-verzet.org.