Rechtevenredig tot de cumulatie van de militaire collaboratie, nam ook het verzet toe zoals het
Armée Sécrète (Geheim Leger) maar in het bijzonder de uitermate geduchte
Partisans Armées (Gewapende Partizanen) die in Wallonië onder leiding stonden van de oud-Spanjestrijder PA-korpscommandant
Raoul Baligand. In het begin beperkte het verzet zich nog tot sabotagedaden, het helpen onderduiken van
werkweigeraars en het stelen van rantsoenzegels, maar de acties werden alsmaar grimmiger in verhouding tot de toenemende graad van
collaboratie door Rex en stilaan begon het aanslagen te regenen op bezittingen, woningen en kantoren van Rex tot regelrechte bloedige
aanslagen op Duitsers en vooral op de leden en mandatarissen van REX.
Op 8 april 1943 werd de Rexist Paul Colin op de drempel van zijn boekhandel, doodgeschoten door Partizanen.
Colin was journalist van de Rexistische collaboratiekranten Le Nouveau Journal en Cassandre. Een maand later
bereidde het verzet een aanslag voor op Léon Degrelle die op 5 mei 1943 had moeten plaatsvinden. Echter, de aanslag mislukte door het verraad
van de beruchte Abwehr-agent Prosper Dezitter die erin
geslaagd was het vertrouwen te winnen van een van de samenzweerders achter de aanslag, Marcel Demonceau
(ºLuik, 10 december 1914). Demonceau kan na de aanslag ontkomen en dook onder bij het echtpaar Andries-Lasson, in de
Jean Van Volsemstraat nr 40 te Elsene (Brussel). Met hem zaten er eveneens nog 3 agenten van de inlichtingendienst Service Hotton As en 3 RAF-piloten ondergedoken. In de ochtend
van 30 juni 1943 omsingelden 200 politiemannen en Duitse soldaten het huis en openden het vuur. Meer dan drie uur lang verdedigden
de verzetsleden zich. Demonceau slaagde erin om de blokkade te doorbreken en te ontsnappen. Na een klopjacht van 12 dagen werd hij
op 12 juli 1943 aangehouden. De overigen verzetsleden gaven zich slechts over aan de nazi's nadat ze zonder munitie waren gevallen.
Demonceau, Maurice Andries, Joseph Bauwin en Jean Caiveau werden na 8 maanden van vreselijke folteringen op 22 februari 1944
gefusilleerd in het Kamp van Breendonk. De vrouw van
Andries, Edmonde Lasson, stierf in het concentratiekamp van Ravensbrück.
In augustus 1943 schreef de clandestiene La Belgique Nouvelle: "Tussen de patriotten en de handlangers van een ongezonde Vlaamsgezindheid en het Rexisme is
een strijd op leven en dood losgebarsten; deze zal lang duren zolang de Duitsers ons land bezetten [..] Terreur is het wapen van de verdrukten. In het verleden
zijn veel machtiger regimes dan het hunne dooreengeschud en afgeremd in hun despotisme en zelfs ineengestort in hun slagkracht. Iedere rexist of slechte flamingant [..]
moet zich ervan gewissen dat hij niet aan zijn straf zal ontkomen; dat hij nergens meer veilig is; dat de dood hem dag en nacht bespiedt, dat de voorbijganger langs
wie hij rakelings stapt of die hem nadert, dat de onbekende of de bedelaar die bij hem aanbelt, of zelfs de vriend die hij aan tafel
ontvangt misschien gestuurd is om hem te executeren."
De kloof tussen rexisten en anti-rexisten werd alsmaar dieper en verdeelde de Waalse bevolking, veel meer dan in Vlaanderen het geval
was, in ongelijke blokken. De meerderheid van de Waalse bevolking keurde openlijk of verdoken de aanvallen op de Rexisten door het verzet goed.
Voor en tegenstanders van Rex vielen elkaar op straat aan. Bijna dagelijks werd een of ander huis van een Rexist belaagd. In de Borinage
kregen leden van Rex stroppen in hun brievenbus, in Ciney werden de koeien van een Rex-militant beschilderd met swastika's en in Charleroi
werden roekeloze Rexisten 's nachts op straat overvallen en de kleren van het lijf getrokken.
In november 1942, nog vóór de aanslag op Teughels (zie verder),
had Victor Matthijs reeds aangedrongen op strenge repressie van terreurdaden tegen Rexisten. Matthijs stelde toen voor
dat voor één neergeschoten Rexist, er 10 communisten zouden terechtgesteld worden. Een jaar later, november 1943, drong
Matthijs er andermaal bij SS-Gruppenführer en Generalleutnant der Polizei Richard Jungclaus op aan om meer steun
in de strijd tegen het verzet. Tegen de zomer van 1944 was bijna gans Wallonië nagenoeg in staat van burgeroorlog!
Aanzet voor vele represailles door de Formations de Combat van REX was de aanslag op 19 november 1942 op de collaborerende
Rexistische burgemeester van Groot-Charleroi Jean Teughels, die koelbloedig werd afgemaakt door enkele Gewapende
Partizanen, o.l.v. Victor Thonet, een groot communistische weerstander. Hij werd daarbij geholpen door de
brandweerman Montfort en politieagent van Courcelles.
François Druine die veel jaren later zijn
relaas van de aanslag deed: "Le jour dit, le 19 novembre 1942, vers 6 heures du soir,
nous nous sommes retrouvés à quatre près de l' Hôtel de Ville de Charleroi. Je faisais le guet, en civil, à la rue Turenne, à l'
entrée de l' urinoir qui se trouvait là, mon pistolet en poche, prêt à tirer en cas de besoin. Thonet et un certain Genen se
trouvaient là tout près. Le pompier Montfort devait signaler la sortie de Teughels de l' Hôtel de Ville. Une fois le signal donné,
vers 6 heures 30, tout s' est passé très vite. Teughels est sorti de l' Hôtel de Ville et Thonet l' a abattu. Il a tiré trois
balles sur Teughels qui s' est effondré. Nous n' avons pas traîné sur place... En ce qui me concerne, j' ai filé jusqu' au plus
proche arrêt de tram et je suis rentré chez moi. Par la suite, j' ai été arrêté de même que Thonet et Montfort, mais ces derniers
ont été fusillés..."
Victor Thonet, die nog in Spanje met de Internationale Brigaden tegen Franco gestreden had, werd op 23 december 1942 opgepakt
en in het Kamp van Breendonk opgesloten. Op 20 april 1943
zal Thonet gefusilleerd worden op de Tir National of rijksschietbaan van Schaarbeek. Na de aanslag op Teughels waren
vele Rexisten van mening dat er radicale maatregelen nodig waren om het verzet te bekampen
en uit te schakelen. Het algemeen gevoel van frustratie binnen Rex nam onder de golf van aanslagen toe. De steeds toenemende afkeer
van de Waalse bevolking tegenover Rex en de ongunstige evolutie van de oorlog was daar zeker niet vreemd aan. Elke Rexist hoopte
op een spoedige terugkeer van het Waals Legioen.
De Rexist Michel Saussez uitte zijn wanhoop op 23 november 1942 in
een brief aan zijn broer Edouard die bij het Waals Legioen was als volgt: "Wanneer keren onze dierbare
legioensoldaten terug? De tijd dringt; je hebt het vast vernomen [..] de moord op Teughels. Het is verschrikkelijk. Als het zo
doorgaat blijft er nauwelijks iemand over. Kom gauw terug met jullie mitrailleurs om aan de slag te gaan!" Het zou
niet enkel blijven doorgaan met aanslagen door het verzet maar nog in alle hevigheid toenemen met de gekende
gevolgen.