Nadat Victor Matthijs in Brussel het nieuws vernam van de moord op Oswald Englebin, besloot hij keiharde tegenmaatregelen te nemen. De aanslagen waren de laatste maanden van de beztting niet meer bij te houden, en de aanslag op
Englebin was de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen. In de vroege namiddag van de 17de augustus belegde Matthijs
dringend topoverleg met ondermeer Louis Collard, Charles Lambinon, Louis Jacobs van het Ersatzkommando, Léon Bertrand uit Charleroi
en de SS'r Moskopff, stafmedewerker van Jungclaus. Zij kwamen overeen dat de vergeldingsacties exclusief[!] zouden worden
uitgevoerd door leden van de Brusselse Etat-Major (Rex-partijleiding) in samenwerking met plaatselijke REX-militanten uit
Charleroi. Dat zowel de SS als de Duitse Sipo-SD en Wehrmacht buiten de represailleacties werden gehouden, was op zich al een
uniek feit!
Echter in Charleroi op dat ogenblik, waren de Rexisten niet van plan om op de goedkeuring van Matthijs te wachten. Joseph Pévenasse en
de schepenen van Charleroi arriveerden spoedig in Courcelles, op de plaats waar Englebin werd doodgeschoten. Zij trachtten de daders
op te sporen maar toen dat niet lukte begonnen zij lukraak locale bewoners en passanten te arresteren en staken huizen en openbare gebouwen
in brand. Een vrachtwagen van de steenkoolmijn van Monceau die daar toevallig voorbijreed, werd tegengehouden en de twee
inzittende ingenieurs werden uit de vrachtwagen gesleurd en één van hen werd onmiddellijk doodgeschoten.
Volgend slachtoffer was een 55-jarige grootmoeder, die de hoede had over haar vier kleinkinderen, omdat hun moeder in 1941
was overleden en de vader naar Engeland was gevlucht. Vóór de ogen van de huilende kinderen werd ze weggesleept
en kort nadien doodgeschoten, vlakbij de plaats waar enkele weken voordien Jules Hiernaux door Rexisten werd vermoord. Nadien werd ingenieur
Bousman van de Acec-bedrijven in Charleroi samen met zijn echtgenote en zijn moeder vermoord. Zij stonden in de streek bekend
als vaderslandlievend.
De ganse namiddag en avond trokken moordend en plunderend Rex-milities doorheen de streek, een spoor van vernieling en branden
achter zich latend. Intussen verzamelde de Rex-leiding te Brussel zoveel mogelijk leden van de Brigaes B en Z van het DSI om zich heen,
en rond 22u00 trokken de wraaklustige Rexisten in een konvooi van dertien voertuigen naarn het bureau van de B-formaties in Charleroi.
Daar aangekomen werden ze opgewacht door Joseph Pévenasse die de ganse dag lang en met veel enthousiasme de rexistische activiteiten in
de stad had geleid. De ganse nacht trok de verzamelde bende van zo'n 200 leden doorheen de stad op zoek naar slachtoffers.
De 'oogst' bleek mager uit te vallen. Uiteindelijk werden 21 gijzelaars opgepakt, waaronder verschillende vrouwen en één
priester, waarna zij werden overgebracht naar het DSI-bureau. Daar werden ze half ontkleed en moesten er al hun waardevolle
bezittingen afgeven. Vervolgens werden zij naar het gehucht Rognac te Courcelles vervoerd, waar een arbeidershuis
werd opgevorderd dat het dichtst bij de plaats lag waar Englebin werd gedood. Het huis deed vervolgens dienst
als geïmproviseerde gevangenis en de 21 slachtoffers werden allen onverbiddellijk in de donkere kelder opgesloten.
Onder de 21 gegijzelden bevond zich de deken van Rognac, kannunnik Pierre Harmignie, die als symbool
van de katholieke bevolkingsgroep was uitgekozen om tevens de gijzelaars in hun laatste ogenblikken bij te staan. Daar hij hierdoor
getuige zou zijn van de moorden, moest hij ook worden omgebracht. De priester-deken is voor de gevangenen de ganse nacht en tot op het laatste
ogenblik een echte steun geweest. Hij heeft hen moed ingesproken en voorbereid om kalm de dood in te gaan zodat paniek werd vermeden.
Hij kreeg zijn medegevangen zelfs zover dat zij, toen zij uit de kelder werden gehaald om te worden vermoord, tot hun beulen te zeggen:
"Wij vergeven u."
Bij het ochtendgloren werden de gijzelaars één voor één bovengehaald en naar de rand van het voetpad vóór de
ingang van de arbeiderswoning gebracht. Telkens twee andere Rexisten hielden zich met een gijzelaar of gijzelaarster bezig: de ene
gaf het slachtoffer een nekschot, waarna de andere een genadeschot in de slaap afvuurde. De lijken werden daarna naar de overkant van de steenweg gesleurd en
tegen een berm geworpen. Elk slachtoffer moet ongetwijfeld als laatste beeld de op de berm geworpen lijken hebben gezien voor hij
zelf werd afgemaakt. Toen priester-deken als laatste over de straat was weggesleurd, schoot een Rexist nog een salvo in zijn gelaat
en gaf hem nog twee bajonetsteken in de borst, zodat het bloed in het rond spatte.
Slechts twee opgepakten overleefden de slachting. De 17-jarige ondergedoken werkweigeraar Marcel Stoquart werd om een onverklaarbare
reden gespaard. De tweede persoon die aan het bloedbad ontsnapte, was ene mevrouw Gobbe. Haar geluk was dat zij een kennis
bleek van één van de Rexistische beulen. Na haar vrijlating liep zij urenlang buiten haar zinnen in Courcelles en
Charleroi rond... In totaal werd tijdens de Rexistische terreurnacht van 17 op 18 augustus en de daaropvolgende ochtenduren
27 slachtoffers vermoord en daarmee werd deze wraakactie van Courcelles veruit de meest weerzinwekkende wreedheid
die door Rexistische milities werd begaan tijdens de ganse Tweede Wereldoorlog.
Na het bloedbad trokken de Rexisten in hun overwinningsroes, een berg bloedende lijken achter zich latend, in colonne terug
naar Brussel waar ze door Victor Matthijs vorstelijk werden ingehaald. Flessen champagne werden ontkurkt, glazen werden geklonken op het
welslagen van deze strafexpeditie en aldus werd een en ander luidruchtig en uitbundig gevierd. Tegelijk werden Rex-eretekens 'insigne de sang'
uitgereikt aan hen die zich tijdens de slachtpartij het meest verdienstelijk hadden betoond.