De woelige 30-jaren: jaren van uitzichtloze crisis, werkloosheid... maar ook de jaren van het internationaal opkomende fascisme.
Van 1936 tot 1939 was Spanje het toneel van de eerste internationale slag tegen het 'beest', dat in wijlen dictator Franco zijn
plaatselijke 'Führer' vond. Zowel aan Franco's zijde als aan de zijde van de wettig verkozen linkse regering, streden soldaten
en individuen uit vele landen. De zogenaamde 'nationalist' Franco voerde op sommige ogenblikken het bevel over troepen die
voor 1/3 uit buitenlanders waren samengesteld.
Zo waren er de Marokaanse (muzelmaanse) huurtroepen en het Vreemdelingenlegioen - speerpunten van de opstand die hem tot Madrid zullen brengen. Ondertussen
ontscheepten Italiaanse geregelde troepen -
Corpo di Truppo Voluntario (CTV) genoemd-, bestaande uit ongeveer 100.000 miliciens en
beroepssoldaten.
Duitsland stuurde 25.000 man geregelde troepen onder andere het vliegtuig eskader Legion Condor dat wereldberuchtheid kreeg door het in puin
leggen van Guernica, als test-case bedoeld voor de latere bombardementen op Rotterdam, Warschau en Londen. Salazar-Portugal
leverde aan Franco 10.000 vrijwilligers en ook vanuit België trokken een 80-tal fascisten van de Nieuwe Orde naar Spanje. Opmerkelijk
in dit verband is dat geen van deze Belgische fascistenstrijders ooit door politie, rijkswacht of legeroverheden lastig
werden gevallen[!]

In de maanden augustus en september 1936 vormden zich aan de linkerzijde in Aragon en Catalonië enige eenheden -centuria's- (honderdmanschap)
die door buitenlanders werden samengesteld. In augustus streden reeds een 200-tal buitenlanders, waaronder een 20-tal Belgen, met de Basken te San Sébastian en Irun.
Op 30 augustus 1936 trad de zestig-koppige Duitse centuria onder leiding van Hans Beimler in Aragon in de strijd. Dit was het bataljon-Thälmann dat al
heel snel als voorbeeld gold voor de PSUC- en UGT-milities en aldus vormden zij vanaf 5 september 1936 samen met het Franse Batlajon Jules Dumont
(waaronder zich ook enkele Belgen bevonden) de kern van de eerste
Internationale Brigaden.
Na een akkoord met de Spaanse Komintern van 20 oktober 1936, ontstaat een toevloed van buitenlandse vrijwilligers die aan
de zijde van de Spanjaarden en het Frente Popular, de fascisten van Franco en zijn vreemdelingenlegioenen zal bekampen. Onder hen
tussen de 2.000 en 2.500 Belgen, socialistische of communistische arbeiders. Naar schatting hebben zowat 35.000 buitenlanders deelgenomen
bij de Intarnationale Brigaden waaronder ook 7.000 burgers van joodse origine[!]
Voor deze anti-fascisten van het eerste uur eindigde de eerste ronde tegen het fascisme, de Spaanse Burgeroorlog, evenwel
met een nederlaag. Maar tijdens de Tweede Wereldoorlog zullen vele oud-Spanjestrijders als verzetsleden de tweede ronde tegen het fascisme inzetten... en winnen.
Een tiental onder hen (waaronder ook
Albert De Coninck) legden
in dit opmerkelijke boek van Ward Adriaens een persoonlijke getuigenis af van hun vrijheidsstrijd.
De Spaanse communiste
Dolores Ibarurri (1895–1989), bijgenaamd 'La Pasionara', was de levende legende van die strijd en
van haar zijn de legendarische woorden 'No pasaran!': ("Zij (=de fascisten) zullen er niet doorkomen"). Eind 1938 bleek de
strijd tegen de fascisten van Franco verloren en werden de Internationale Brigaden ontbonden, ofschoon nog vele duizenden
buitenlanders nog verder aan de eindstrijd zullen deelnemen.