De vier razzia's hebben voor de nodige afschrikking gezorgd onder de zowat 56.000 geregistreerde joden en de meesten van hen besluiten om
onder te duiken. Geen eenvoudige zaak, want ook vele duizenden politieke gevangenen, verzetsleden en werkweigeraars moeten zich
schuilhouden voor het nazigeweld. Toch zullen 56% van de joden van België de oorlog overleven. Een betrekkelijk hoog overlevingscijfer in vergelijking
met de andere bezette landen in Europa. De hulp aan de bedreigde joden komt in september 1942 slechts moeizaam op gang. Ondanks de
dreiging die was uitgegaan van de vier brutale razzia's leek dit het anti-Duitse verzet maar matig te stimuleren. Sabotage en moordaanslagen
bleken gemakkelijker te organizeren dan de redding van de hele joodse gemeenschap. Bovendien was de opmars van het Duitse leger
aan het Oostfront in die zomer van 1942 tot stilstand gebracht en meenden de meeste Belgen dat de oorlog hooguit nog een paar
maanden zou duren en hielden zij zich maar liever gedeisd.
Kenmerkend voor die matige interesse en lakse houding van de Belgen (maar ook elders in Europa!) om te beletten dat de joden
van België zouden worden gedeporteerd, is dat van de 28 Jodentransporten er maar één enkele keer een poging ondernomen om Joden
te helpen ontsnappen. Het beruchte 20ste treinkonvooi werd op 19 april 1943 door drie jonge knapen, slechts gewapend met één
revolver, een tang en een zaklantaarn, te Boortmeerbeek gestopt en bevrijdden aldus 17 joden. Gesterkt door dit incident, en het feit dat de trein
nadien slechts langzaam zijn weg kon vervolgen, zullen nog eens een paar honderd Joden uit de trein springen. Voor zover bekend
is dit ook het enige treinkonvooi met Joden dat tijdens de ganse oorlog in het Derde Rijk èn over àlle bezette gebieden, werd
gestopt[!]
Toch verscheen al vrij vroeg in de clandestiene pers een oproep van het verzet, bij monde van de verzetsgroep het
Onafhankelijkheidsfront waarin ook het Comitée Juif de Défence (Joods Verdedigingscomiteit) en de Gewapende Partizanen deel
van uitmaakten, waarin het verzet industriëlen, huiseigenaars, hoteliers, renteniers of landbouwers aanporde om joodse koppels
aan te werven in ruil voor kost en inwoning. In het begin echter waren de joden vooral op zichzelf aangewezen. Ze vroegen spontaan hulp aan buren,
vrienden, klanten, concurrenten, collega's en studiegenoten. Zij wilden alvast de kinderen helpen. Er ontstond zelfs een echt circuit
van gezinnen die tegen betaling[!] een joodse gast in huis wilden nemen.
De houding van de Kerk in België verschilde nauwelijks dvan die in de andere door de nazi's bezette Europese landen.
Het hoofd van de Belgische katholieke kerk, kardinaal Van Roey had voor zichzelf, en dus ook voor de Belgische clerus, beslist
om niet officieel te protesteren tegen de manier waarop de Joden van België door de Duitsers werden behandeld en
dat om de volgende drie redenen. Eerstens, hadden de Duitsers beloofd om de Belgische Joden te sparen, iets wat later de zoveelste
leugen bleek te zijn. Ten tweede gold de ervaring dat vroegere protesten met zaken uit het verleden, nooit enige invloed hebben gehad
op de bezetter. Ten derde vreesde de kardinaal dat een officieel kerkelijk protest gevolgen zou kunnen hebben voor de Joodse
kinderen die in katholieke instellingen verbleven. Kardinaal Van Roey verleende wel zijn morele steun aan de vele illegale daden
en acties die kerkelijke leden ondernamen.
Van de hoogste kerkelijke top bleef een openlijke veroordeling van het nationaal-socialisme -helaas(!) achterwege. Kardinalen,
bisschoppen, priesters, kloosterorden en andere actieve leden van de Rooms-katholieke Kerk bleef aldus verstoken van elk moreel gezag van
bovenaf (zie ook Hitlers Paus) en bleven
aldus aangewezen op hun eigen oordeel, empathie en de eigen beslissing om al dan niet actief deel te nemen aan het in bescherming
nemen van de door het Derde Rijk ongewensten. Sommige katholieke geestelijken namen werkelijk deel aan de vervolging van de Joden,
hitsten anderen op vanop hun kansel (zoals bv Priester Cyriel Verschaeve)
en sommige geestelijken namen actief aan de jodenvervolging deel zoals bijvoorbeeld in het zeer rooms-katolieke Kroatië het geval was. Weer anderen
lieten hun hart en hun verstand spreken.
Ook Maxime Steinberg stelt in zijn historisch onderzoek, dat de Kerk als instelling,
zich niet heeft ingezet om op het hoogste niveau, en dat zonder medeweten van de bezetter, een actie op touw te zetten ten gunste van
de joden. De kerkelijke instelling nam geen verantwoordelijkheid, organiseerde niets officieel en gaf geen instructies noch
structuur aan de redding van de Joden. De dienaars van de Kerk kregen weliswaar vrijheid van handelen, maar de Kerk als instituut
hield zich officieel afzijdig.
Ondanks het feit dat weinig geestelijken zich gesteund wisten vanuit de kerkelijke hiërarchie, zullen vele duizenden katholieken
en geestelijken zich actief inzetten bij de redding van de joden en velen zullen hun inzet helaas ook met de dood bekopen. Een
van de zovele Rooms-katholieke instellingen die enkel waarde hechtten aan hun eigen oordeel en voor zichzelf uitmaakten in
hoeverre ze betrokken raakten bij de waanzin van deze oorlog en haar meest geviseerde groep -de Joodse gemeenschap van België-, was het convent van
Saint-Sauveur te Anderlecht.
Het Klooster van de Heilige Zaligmaker, voluit Les Soeurs dur Très Saint-Sauveur, gelegen in de
Clémenceaustraat te Anderlecht, werd bestuurd door Eugénie Leloup, bekend als Zuster-overste
Zuster Marie-Aurélie. Deze non had nog in de Parijse achterbuurten haar geestelijke opleiding gekregen en gesterkt door die ervaring was ze duidelijk van
nergens bang voor. Na de vierde afschuwelijke razzia van 11 september '42 had het klooster nog diezelfde maand 22 joodse kinderen
opgevangen die de volgende negen maanden zonder veel problemen onder de hoede van Zuster Marie-Aurélie een veilig onderkomen hadden
gevonden. In mei 1943 werden de zaak echter verklikt door Dikke Jaak, een Joodse[!] verklikker notabene, die voor
de Sipo-SD opereerde...