Icek Glogowski (º26 sep. 1899) was een geval apart. Het blijft tot op vandaag een raadsel waarom
deze Poolse Jood als verklikker opereerde voor de nazi's. Glogowski, ook Jacques le Mouchard of Le gros Jacques
(Dikke Jaak) genoemd, dankte zijn bijnamen aan zijn corpulente uiterlijk. Hij droeg steevast een te krap kostuum en op zijn brede schedel in de zomer een
lichte hoed en in de winter een bruine. Dikke Jaak, afkomstig uit de wijk rondom het Noordstation, werkte als nachtportier aan
vele bekende Brusselse nachtgelegenheden. Hij was met zijn gezin, op de vlucht voor vervolging in eigen land, voor de oorlog
vanuit Polen naar België verhuisd.
Zijn drie kinderen, Elka, Simon en Léon werden samen met zijn echtgenote Eva Feldberg op 30 september 1942
opgesloten in de Dossinkazerne te Mechelen. Op 10 oktober '42 werd zijn gezin met het XIIde konvooi naar Auschwitz gedeporteerd om
er nooit meer levend van terug te keren. Was dit misschien de reden dat hij zich als spion voor de nazi's voor deportatie had vrijgekocht?
Of was het misschien omdat hij niet kon verdragen dat andere Joden ongemoeid bleven, terwijl zijn gezin verdwenen was?
Hoedanook, sindsdien werkte Dikke Jaak als spion en verklikker voor de Sipo-SD te Brussel, en was aldus de ruimschoots betaalde
handlanger van Judenreferent Kurt Assche die door Eichmann belast was met de liquidering van de Joden van België. Dikke Jaak verkeerde
meestal in het gezelschap van de SS-officier Otto Siegburg. Een andere 'collega' van Jaak is de SS'r Karl Noller met wie hij samen
een appartement betrekt in de Vanderkinderestraat, niet ver van de Louisastraat, waar Kurt Assche zijn hoofdkantoor heeft. Elke middag
begeeft Dikke Jaak zich naar de kantine van de Sipo-SD om er zijn onverzadigbare honger te lenigen. Dikwijls werd Dikke Jaak
opgemerkt op de Brusselse terassen in het gezelschap van een andere beruchte verklikker, de elegant geklede Wit-Rus Pierre
Romanovitch. Romanovitch had een lang strafblad van oplichting, deviezensmokkel en ongeoorloofde grensoverschrijding, strafbare feiten
waardoor hij herhaaldelijk in de gevangenis van Sint Gillis belandde.
Het beruchte verraderstel zal honderden joden tegen betaling aan de Gestapo-afdeling uitleveren en als spion en klabak
de deportatietreinen naar Auschwitz gestaag vullen met slachtoffers. Dikke Jaak had een fijne neus voor het opsporen van Joden. Elke morgen
begaf Dikke Jaak zich naar het hoofdkwartier van de Gestapo op de Louisalaan 453. Korte tijd later verliet een donkere limousine
de toegangspoort van het gebouw, met Glogowksi op de achterbank.
Zo circuleerde hij de ganse dag doorheen de straten van Brussel, op zoek naar Joden die zich zonder Davidster op straat begaven
en/of een andere identiteit hadden aangenomen. Nu en dan stopte de wagen en sprongen Dikke Jaak en zijn handlangers uit de wagen
en snauwde naar de verdachten: "Ausweis bitte!". Als de de verdachte zich niet snel genoeg
kon identificeren werd hij door Dikke Jaak en zijn compagnon ruw in de wagen geduwd en reed de limousine met gierende banden weer weg
richting Louisalaan en kon Dikke Jaak zijn 'pakje' afleveren aan de Gestapo en zijn '30 zilverlingen' incasseren.
's Zondags ging hij dan al zijn centen geld vergokken op de paardenkoersen.
Zelfs als de geviseerde slachtoffers de beste papieren konden tonen en bewijzen dat ze Belg waren, toch konden ze Glogowski maar
moeilijk verschalken. In de kelders van de Louisalaan 453 konden de mannelijke joden hun broek laten zakken en wanneer dan bleek
dat ze joods waren begon de SS hen te slaan en slaan tot ze er bewusteloos bij neervielen. Zowel Glogowski als zijn superieur Kurt Assche
waren dikwijls getuigen van de folteringen en namen er zelf ook regelmatig aan deel. Zij stonden erom bekend dat ze hun slachtoffers fouilleerden en beroofden van hun waardevolle
bezittingen nog vooraleer al hun persoonsgegevens waren genoteerd.
Een ander getuigenis komt bijvoorbeeld van Hena Wasyng. Zij immigreerde samen met haar ouders in 1930 vanuit Polen naar België.
In 1932 huwde ze met Unyl Tzwern, een handelaar in Lederwaren. Ze hadden twee kinderen, Bernard (°1934) en Maurice (°1939).
Hena: "Mijn man werd op een dag in januari 1943 gearresteerd. Hij werd verraden door “le gros Jacques”, een joods
collaborateur van de Gestapo te Brussel. Mijn man had geprobeerd te ontsnappen maar was neergeschoten door Gestapo-agenten.
Ik heb hem terug gevonden in het Sint-Pietersziekenhuis toen hij al stervende was. Hij overleed kort daarna op 18 januari 1943."
Het duurde niet lang voor Dikke Jaak ook bekend en berucht werd bij het verzet dat prompt een aanslag beraamde om Jacob de verklikker
uit de weg te ruimen. Zo verhaalt Jacob Gutfrajnd in zijn boek Partisans armés Juifs (Brussel 1991) hoe zijn verzetsgroep tevergeefs trachtte
Dikke Jaak uit te schakelen: "De geschiedenis van onze moedige en onzelfzuchtige strijd, die zoveel slachtoffers heeft gekost, werd
verduisterd door een vervloekte schaduw, die van de laaghartige Jacques. Volgens onze informatie ging hij elke zondag naar de paardenraces.
Daar wilden we de aanslag plegen. Toen de toeschouwers de hippodroom uitstroomden, gingen drie mensen van ons bij de uitgang staan. Ze ontdekten Jacques en gingen op hem af. Degene die als eerste
op de verrader mocht schieten bevond zich, gedekt door de twee anderen, vlak achter hem. Hij had zijn vinger al aan de trekker toen er iemand
tussen ging staan. De spion maakte zich plotseling los uit de menigte en rende naar de tram, die net bij de halte aankwam."
Bij een andere gelegenheid haperde de revolver en Dikke Jaak schoot terug. Sindsdien werd hij elke ochtend met de auto door de
Gestapo opgehaald aan zijn woning. Nog verschillende malen zal hij door het verzet worden bedreigd en onder vuur komen, maar
telkens kon hij ontsnappen. Honderden geloofsgenoten stuurde Icek Glogowski naar de kampen van de dood, zelfs kinderen spaarde
hij niet. Altijd was hij op jodenjacht, maar soms ving hij bot. Zoals toen het geval was met de ondergedoken joodse kinderen in
het nonnenklooster van Saint-Sauveur te Anderlecht...