Terug naar de gebeurtenissen in het klooster Les Soeurs dur Très Saint-Sauveur, gelegen in de
Clémenceaustraat te Anderlecht, waar Zuster-Overste Marie-Aurélie zich sinds september '42 had ontfermd
over 22 joodse kinderen, allen meisjes tussen de 20 maanden en de 12 jaar oud.
In de ochtend van de 20ste mei 1943 bonkte onverwacht de SS aan de inkompoort van het klooster. Dikke Jaak, alias van Icek Glogowski
stormde het klooster binnen in het gezelschap van enkele SS'rs, met de boodschap dat hij het klooster wilde doorzoeken met het vermoeden
dat er joodse kinderen werden verstopt. Op de binnenplaats zag hij spelende kinderen en ontdekte er enkele meisjes van joodse
origine. Hij wendde zich tot Zuster Marie-Aurélie met de waarschuwing dat de volgende ochtend alle Joodse kinderen zouden opgehaald worden
en gedeporteerd naar de Dossinkazerne. En alsof het idee nog niet schrikwekkend genoeg was, voegde hij er nog dreigend aan toe "dat ze allemaal naar Auschwitz
gingen en er niet levend vandaan zouden komen!"
Nadat Dikke Jaak en zijn SS'rs het klooster weer uit zijn, slaat de paniek toe in het convent. Buiten zichzelf van angst contacteert
Zuster Marie-Aurélie enkele vertrouwenspersonen bij het JIB/AJB (Jodenvereeniging in België) alsook het CDJ (Comité de Défence des Juifs)
en contacteert eveneens kardinaal Van Roey in het Bisdom van Mechelen. De kardinaal contacteerde op zijn beurt koningin-moeder Elisabeth die tevergeefs trachtte de Duitsers
te overtuigen om de kinderen met rust te laten. De kloosterzusters slagen erin om acht meisjes onder te brengen op andere onderduikadressen
maar met de resterende 14 joodse meisjes weten ze zich geen raad meer. Er was een wonder nodig.
Het was al negen uur 's avonds wanneer de jonge partizaan Paul Halter, commandant van de Gewapende Partizanen samen met een jong meisje
en een priester aan de kloosterpoort aanklopte. Hij had van de op touw staande zuiveringsactie gehoord en wilde hulp bieden. De toen 23-jarige
Halter getuigde vele jaren later: "Ik trof mijn vriend Cymberknopf aan in alle staten. Hij lichtte me in dat onze vriend
Bernard Fenerberg had vernomen dat de Gestapo in het klooster was geweest en informeerde ons over hun intentie om later terug te keren om
de kinderen op te halen. We realiseerden ons dat ons maar enkele uren meer restten om actie te ondernemen en besloten tot een
gewaagd plan."
Ze verklaarden aan Zuster Marie-Aurélie dat ze van het verzet waren en de kinderen wilden redden van deportatie:
"We bevinden ons nu in een noodsituatie. Nu helpt alleen nog maar geweld." Paul Halter ontvouwde zijn wilde
reddingsplan aan de kloosterzusters. Dat plan bestond erin dat zij een overval door de Partizanen op het klooster zouden
ensceneren en 'en passant' de bedreigde kinderen zouden bevrijden en meenemen.
Zo gezegd zo gedaan. De zusters maakten kleine voedselpakketten klaar en bundeltjes met kleren voor elk kind.
Marie Aurelie gaf elk van de kinderen tevens een volle rantsoenkaart mee. Intussen bereiden Paul Halter en zijn kompanen hun
aanslag op het klooster voor. De partizanen wachten tot het donker werd. Omstreeks 22u00 's avonds drongen Halter en zijn
Joodse medekompanen Bernard Fenerberg, Toby Cymberknopf en Jankiel Parancevitch het
klooster binnen. Ze werden vergezeld door twee niet-Joodse leden van het verzet, Floris Desmedt en
Andrée Ermel. Ze moesten haast maken. Met een revolverschot forceerden zij de inkompoort. Zij sloegen wat
meubilair aan diggelen, trapten enkele deuren in en knipten electricteitskabels en telefoonlijnen door.
Ze bonden de zusters allemaal vast op hun stoel en snoerden hun monden toe. Zuster Marie-Aurélie werd opgesloten in haar kamer. Zij
suggereerde nog dat iemand een revolverschot door haar voet moest schieten maar dat lieten ze maar zo. In plaats daarvan deelden ze
de nonnen nog wat klappen toe zodat het allemaal echt genoeg zou lijken. De kinderen werden meegenomen.
Enkele meisjes werden tijdelijk ondergebracht bij hun ouders, vier kinderen werden bij Halter thuis ondergebracht en
een aantal anderen in het huis van Cymberknopf. Partizane Andree Ermel bracht de kleine Myriam Frydland onder bij haar moeder,
Celine Ermel. Rachelle, het zusje van Myriam werd elders geplaatst. Kort na de oorlog zullen de kinderen terug met hun moeder verenigd worden.
Hun vader, Israel Mayer Frydland, was tijdens een razzia opgepakt en naar een concentratiekamp gezonden. Hij kwam om kort voor het einde
van de oorlog in april 1945 tijdens de dodenmars vanuit KZ Flossenburg. Myriam en Rachelle's grootmoeder keerde terug van een Frans
interneringskamp maar overleed korte tijd later aan tuberculose. Myriam Frydland zal nog tot in augustus 1951 bij de Ermels
verblijven tot wanneer Rachelle en hun moeder immigreerden naar de VS aan boord van de SS Washington.
Een half uur nadat de kinderen veilig hun nieuwe bestemmingen hadden bereikt alarmeerden de nonnen vanuit een raam een
voorbijganger die de politie verwittigde. Die wachten tot de volgende ochtend om de Gestapo in te lichten over de overval om
zodoende de reddingsactie meer tijd te geven. De volgende ochtend werden de kinderen met de hulp van het CDJ weer overgeplaatst
naar veiliger plaatsen. Tegen 11 uur de volgende ochtend dagen Dikke Jaak en een groep SS'rs op om de kinderen op te
halen. Verbaasd moesten ze vaststellen dat het klooster overvallen was en de kinderen verdwenen. De nonnen dissen de Gestapo
een spannend maar redelijk geloofwaardig verhaal op over een gewelddadige inval door de Gewapende Partizanen.
Zuster-Overste Marie-Aurélie werd voor ondervraging meegenomen naar de Louisastraat. Zij maakte hen wijs dat ze ervan
overtuigd was dat de overval door de Gestapo werd gepleegd. "Hadden ze een Joods uiterlijk?", vragen ze haar. "Nee,
helemaal niet." "Waren ze gewapend?" "Jazeker." "Waarom heb je niet om hulp geroepen?"
"Roepen? Dat durfden we niet. Ze zeiden dat ze zouden schieten als we lawaai zouden maken." Een beteuterde Dikke Jaak
stond erbij en keek ernaar, maar bij gebrek aan bewijzen moesten ze haar weer laten gaan en ze zal ook verder ongemoeid worden gelaten.
Aldus werden de 22 joodse meisjes met een slimme list en veel moed, gered van een zekere dood. Zij zullen ook allemaal
ongedeerd de oorlog overleven. Paul Halter werd later in september 1943 opgepakt en naar Auschwitz gedeporteerd maar wist de ellende
te overleven. Pas zijn terugkeer uit de kampen, vernam hij dat alle door hem geredde joodse meisjes ook effectief de oorlog
hadden overleefd. Hij werd later tot de adelstand verheven -Baron Halter- en is tot op vandaag de president van de
Auschwitz Stichting. Vele jaren later, in 1991, nam hij deel aan de eerste 'Hidden Children Reunion' te New York, waar hij
voor het eerst vele van de door hem geredde kinderen opnieuw ontmoette. Het werd een erg emotioneel weerzien.
Zuster Marie-Aurélie, de Zuster-overste van het Klooster van Très-Saint-Sauveur, werd in 2001 gehonoreerd door de Israëlische Staat
en door Yad Vashem toegevoegd aan de laan der Rechtvaardige onder de Volkeren. Ook partizane Andrée Ermel en haar ouders
Marcel en Céline Ermel (bij wie één van de meisjes, Myriam Frydland, de verdere oorlogsjaren kon onderduiken) viel dezelfde eer te beurt.
Yad Vashem bracht toen eveneens een speciaal eerbetoon uit aan het CDJ (Joods Verdedigingscomiteit), en de vier joden
die deelnamen aan deze bijzondere reddingsoperatie die in haar soort uniek was in de annalen van de Holocaust in België.
En Dikke Jaak? Toen Brussel op 3 september 1944 werd bevrijd vluchtte hij naar Duitsland. Op 13 maart 1947 werd Icek Glogowski
door het Brusselse Krijgshof bij verstek ter dood veroordeeld maar sinds zijn vlucht uit België, werd nooit meer iets vernomen
van Le Gros Jacques. Dikke Jaak bleek definitief van de aardbodem te zijn verdwenen...