In 1919, kort na het einde van Den Grooten Oorlog (=WO I), zei een Belgische politieker: "Frankrijk heeft Jeanne d'Arc.
Wij hebben Gabrielle Petit." En een ander typeerde Louise de Bettignies als de "Jeanne d'Arc van het Noorden". De vergelijking met
Jeanne d'Arc (1412-1431), de Franse heldin die gekleed als een man het
Franse leger naar de overwinning op de Engelsen leidde en hen op 8 mei 1429 uit Reims wist te verdrijven, maar later in ongenade viel
en op 30 mei 1431 in Rouen op de brandstapel haar leven beëindigde, typeert de naoorlogse ietwat buiten propoties gegroeide
mythevorming die verzetstrijdsters zoals Edith Cavell, Louise de Bettignies en Gabrielle Petit te beurt vielen.
Toch was weerstand bieden door vrouwen tegen de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog niet vanzelfsprekend. In die tijd hadden
vrouwen nauwelijks rechten en vooral veel plichten. Van bij de geboorte waren zij gedoemd om in de schaduw te leven van de man,
te zorgen voor een flinke kroost en soelaas moesten ze maar zien te vinden in het Christelijke geloof. Stemrecht zouden zij pas nà de Tweede
Wereldoorlog verkrijgen [België pas in 1948!], en dan nog zal de gelijkberechtiging en gelijke kansen nog vele decennia op zich
laten wachten.
Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, en de vele gruweldaden die door de Duitse bezetter in België werden begaan tijdens
de vier oorlogsjaren, alsook de zinloze slachting op hun echtgenoten aan het front, spraken vele vrouwen aan om actief te worden in allerlei vormen van zorg en verzet.
Zij worden spoedig actief in allerlei domeinen. In de hulpverlening en in de verpleging. Vrouwen belandden als verpleegsters in
de bloedige abattoirs van 'Flanders Fields', en schrijven nog jaren later de hartverscheurende taferelen en de walg van zich af in romans en
memoires. De arbeidsters van hun kant moeten gedwongen door de enorme werkloosheid weer naar huis. Worden zij inactieve
huisvrouwen? Ontelbare vrouwen meldden zich aan bij het verzet: inlichtingendiensten, ontsnappingslijnen, als koeriersters of
als geheime agenten.
Van hen werden helaas ook honderden Belgische, Nederlandse en enkele Noord-Franse vrouwen opgepakt en veroordeeld waarvan een
zestigtal de doodstraf kregen. Een aantal doodstraffen werden ook effectief uitgevoerd en naast Edith Cavell (G-B) en Gabrielle
Petit zullen nog 9 andere vrouwen op Belgisch grondgebied worden terechtgesteld. Lang vergeten namen zoals: Louise Derache, Mathilde Desmet, Emilie Dhondt,
Elise Grandprez, Marie Preenen, Leonie Rammeloo en Emilie Schatteman. Onder hen ook 2 Franse vrouwen: Anne Bénazet en Flore
Lacroix. De Nederlanders zullen zich vooral de danseres Mata Hari herinneren, het alias van Margaretha Geertruida Zelle (1876-1917),
de meesterspionne die in haar boudoirs op schalkse wijze de grootste geheimen wist te ontfutselen van Duitse officieren,
maar werd ontmaskerd en in het Franse Vincennes op 15 oktober 1917 werd geëxecuteerd.
Een aantal vrouwen, die tijdens WOI eveneens de doodstraf hadden gekregen werden dankzij de tussenkomst van prominenten of
om bepaalde redenen, zoals hun jeugdige leeftijd, begenadigd. Het waren: Laure Acar, Jeanne en Marie Albert,
Marie Amen echtgenote Wauters (NL), Henriette Bernaerts, Lucie Billon echtgenote Collin (F), Marguerite Blanckaert, Jeanne de Beir,
Jeanne de Belleville (F), Louise de Bettignies (F), Martha De Munck, Raymonde Denoel, Madeleine Doutreligne, Nelly Gabriël,
Romanie Kint, Emma Lamote, Maria Lince, mevrouw Massart, Jeanne Merckx, Alphonsine Ramet, Emma Sabbe, Louise Thuliez (F),
Hermine Vaneukem, Jeanne Wilryckx en mevrouw Marcel Witvrouw. Honderden andere vrouwen belanden voor clandestiene activiteiten
in de Duitse gevangenissen; de voorlopers van de concentratiekampen onder de nazi's tijdens WOII.
In december 1914 werd Generaloberst Freiherr von Bissing (1844-1917), door de Duitse Keizer Wilhelm II aangesteld als de
Duitse bestuurder van het bezette België. Baron von Bissing zal vooral in de hedendaagse Belgische geschiedenis bekend blijven
als de schepper van de zogeheten Flamenpolitik, door Duitsvriendelijke propaganda de Vlaamse minderheid in België te trachten
te lijmen door hen autonomie te beloven. Zo zal hij zelfs op 21 maart 1917 overgaan tot de bestuurlijke scheiding van België in
autonome gebieden: Vlaanderen en Wallonnië waarbij Brussel bij Vlaanderen werd gevoegd en er de hoofdstad van werd. De natte
droom van elke tegenwoordige extreem Vlaams-nationalist. Een aantal Vlaams-nationalisten zullen in de val trappen die de Duitsers
voor hen gespannen hadden, ondermeer Dr. August Borms, en het Aktivistisch avontuur aanvangen, om over te gaan tot de totale collaboratie
met de Duitse bezetter. Hiertoe werd op 4 februari 1917 te Brussel de eerste Raad van Vlaanderen opgericht
(de 2de versie zal bij de volgende collaboratie plaatshebben tijdens WOII).
Echter de ware oogmerken van Duitsland ten opzichte van België zoals die door Baron von Bissing geformuleerd werden tussen 1914
en 1917 in zijn postuum nagelaten testament en dat pas in mei 1917 algemeen verspreid raakte, onthulde heel wat anders dan wat
de Aktivisten de bevolking tot dan toe had voorgehouden[!]: "Uit militair oogpunt volstaat het bezit van de
Maasforten niet: de Duitse grens moet tot aan de Belgische kust worden vooruitgeschoven. Ook economisch dient het buurland aan
de Duitse belangen ondergeschikt te worden. In het algemeen moet het land aan het Duitse gezag worden onderworpen en volledig
verduitst. Daartoe moet ook 'gedurende jaren nog het thans bestaand dictatuurschap gehandhaafd worden. De Vlamingen zullen zich
in een dergelijk overgangsstadium van de Welsche[sic] dwingelandij bevrijden en zich weer tot hun Nederduitse -hoewel niet licht
te bewerken- aard laten terugvoeren. De Walen kunnen en moeten in de loop van dit tijdstip beslissen of zij zich willen aanpassen
bij de gewijzigde definitieve toestanden, dan wel vekiezen België te verlaten. Wie in het land blijft, moet zich naar Duitsland
keren en na afzienbare tijd ook het 'Deutschtum' aankleven. In geen geval mag het Duitse Rijk zich ten aanzien van België zo
'week' betonen als voor de oorlog in de Elzas: de bevolking moet met geweld worden verduitst. Wie dit niet zint, dient zonder
omhaal onteigend en verdreven te worden."
De misleiding van het Vlaamse publiek werd hiermee helemaal blootgelegd en het Aktivistisch avontuur naar de verdoemmenis
teruggefloten. De Aktivisten werden door het grote publiek, dat massaal op straat was gekomen om te protesteren tegen
'de valselijke bedriegers die Vlaanderen hadden verraden en verkocht aan het Duitse keizerrijk', luidkeels uitgejouwd
en vervloekt. Met veel vertoon werd nog op 18 augustus 1918 de Gentse Hogeschool geopend maar die universiteit werd al drie dagen
later alweer door de Duitsers gesloten (de zoveelste extreemrechtse Vlaams-nationale mythe werd hiermee begraven). Het Aktivisme
zal echter pas aan het einde van de oorlog vernietigd worden. Het einde naderde nu snel. De archieven van de Raad van Vlaanderen
werden in kisten naar Duitsland versleept met in hun zog 200 Aktivisten en hun gezinnen die het terugtrekkende Duitse leger achterna
snelden. Een aantal kopstukken zullen later achter de tralies belanden. Helaas blijkt het mensengeheugen
zoals steeds van korte duur te zijn en eenzelfde onverkwikkelijke historie, waaronder een aantal van dezelfde
hoofdrolspelers van toen heropgevist werden, zal zich tijdens de Tweede Wereldoorlog andermaal herhalen.
Voorafgaand aan al deze Duitse bezettersellende, de diepe ontgoocheling en machteloze woede van het Vlaamse volk t.a.v. het
verraad van een aantal Vlaamse bedriegers, had intussen het verzet zich moeizaam georganizeerd. Enkele maanden na de inval van het Duitse leger, had
Dieudonné Lambrecht eind 1914 in opdracht van de geallieerden een inlichtingendienst opgezet. Zijn voorkeur voor
het vergaren van geheime informatie ging daarbij vooral uit naar vrouwelijke spionnes. Lambrecht zal later op 25 februari 1916 door de
Duitsers worden opgepakt en 18 april '16 te Chartreuse sterven voor het vuurpeloton.
Walthère Dewé
had ondertussen samen met zijn vriend, Herman Chauvin, de fakkel overgenomen en samen bouwden zij het netwerk van Lambrecht,
dat intussen La Dame Blanche werd gedoopt, het inlichtingennetwerk verder uit. De roem van La Dame Blanche
steeg tot ver over de grenzen heen en zal tot aan het einde van de Eerste Wereldoorlog operationeel zal blijven. Walthère Dewé zal tijdens
de Tweede Wereldoorlog zijn bravourestuk herhalen en met zijn opgedane ervaring tijdens de Eerste Wereldoorlog, de erg efficiente
inlichtingendienst Clarence uitbouwen. Eén van die
spionnes van het eerste uur die in 1915 door het netwerk van Lambrecht werd gerecruteerd, was Gabrielle Petit die
haar onvoorwaardelijke inzet en bescheiden heldenmoed met de dood zal bekopen.