Gabrielle 'Gaby' Petit werd op 20 februari 1893 geboren te Doornik (Tournai). In 1898 verhuist het gezin Petit naar Ath en worden
Gabrielle en haar zusje Hélène in een klooster ondergebracht bij de 'nonnekes'. Na het overlijden van haar moeder, hertrouwt haar
vader maar het botert niet erg met haar stiefmoeder. Na een moeilijke jeugd als kind van een pretentieuze vader die permanent failliet ging en
jaren van wegzinken in louche café's van de hoofdstad, wordt Gabrielle door haar vader naar het weeshuis gestuurd.
De jongensachtige Gabrielle bleek al vroeg eigenzinnig en zelfstandig te zijn. Ze ravot de hele tijd met de buurmeisjes en is
overal 'haantje-de-voorste'. Op haar zestiende trekt ze het huis uit naar Brussel waar ze onderdak vind bij haar tante Hélene Segard.
In 1912 huurt zij van het gezin Collet een zolderkamertje op de Antwerpse steenweg te Brussel. Ze krijgt maar moeilijk de
eindjes aaneen en heeft verschillende baantjes na elkaar. Als vrouw alleen is het in die tijd zeker geen makkelijk leven. Ze is
vaak depressief en onderneemt zelfs een zelfmoordpoging. In een brief omschrijft ze zichzelf als een 'staal zonder waarde'.
Zo werkt zij einde maart 1912 als dienster in een café aan het Brusselse Zuidstation ('de Midi') waar ze kennis maakt met
Maurice Gobert, een jonge onderofficier en al enkele jaren beroepsmilitair. Ze neemt nog een baantje aan als naaister aan het Noordstation maar geeft er al na een week de brui aan.
Wanneer het Duitse keizerlijke leger op 4 augustus 1914 België binnenmarcheert, trekt haar verloofde Maurice naar het front. Het liefst
van al zou Gabrielle haar verloofde gevolgd zijn en schreef hem: "In feite zou ik veel liever als een moedig karabinier
aan je zijde strijden of de mitrailleuse bedienen.". Maurice raakt in Hofstade tijdens hevige gevechten gewond. Hij wordt opgenomen in het Sint-Elisabethziekenhuis te Antwerpen waar zij hem daar gaat verzorgen.
Gabrielle had zich intussen bij het Rode Kruis aangemeld waarvoor ze met een collectebusje de straten en pleinen afdweilde.
Nadat Antwerpen op 15 augustus ingenomen werd door de Duitsers helpt zij Maurice uit het ziekenhuis vluchten en het koppel trekt naar
de ouderlijke woonst van Maurice in Fontaine-l'Evecque. De verloofden schieten echter al een tijd niet goed meer met elkaar op en ook met haar toekomstige
schoonouders wordt het maar niks. Zij vinden Gaby eigengereid en onhandelbaar. Gabrielle trekt op haar eentje naar Brussel om
er als gouvernante bij een gezin te werken. Tussen december 1914 en maart 1915 horen Maurice en haar schoonouders niets meer van
haar. Achteraf zal blijken dat ze in die periode in contact is gekomen met een lid (Dieudonné Lambrecht?) van het ondergrondse
verzet. Aan haar familie schrijft ze in die periode "dat als ze mochten weten waar ze mee bezig was, dat ze pas trots op haar zouden zijn."
Intussen poogt Maurice zich tevergeefs opnieuw bij zijn regiment te voegen. Hij bereikt half juli 1915 de kolonie Harderwijk waar duizenden Belgische vluchtelingen in erbarmelijke omstandigheden in barakken en leegstaande
fabrieken trachten te overleven. Bij het begin waren 1 miljoen[!] Belgen naar Nederland gevlucht en tot het einde van de oorlog
zullen nog ruim een half miljoen Belgen in het buitenland de oorlog ontlopen. Korte tijd later slaagt Maurice erin om zijn
eenheid, dat intussen tot achter de IJzer in de Westhoek was teruggedrongen, weer te vervoegen.
Nauwelijks een week na het vertrek van Maurice slaagt Gabrielle erin om de grens naar Nederland over te steken. Haar doel was om
zich bij Maurice te voegen en dienst te nemen als vrijwillige hulpverpleegster. Op 20 juli 1915 is ze in Den Haag en enkele dagen
later maakt ze de overtocht naar het Engelse Folkestone. Aan Maurice schrijft ze in die periode dat zij niets van haar nieuwe
plannen kon vertellen en eindigt haar brief met de mysterieuze woorden: 'dat ze gescheiden zullen zijn door dezelfde zaak'.