Auschwitz werd in het voorjaar van 1940 opgetrokken in het Poolse Oswiescim in Polen. Een jaar later, maart 1941, werd op 2 kilometer van het
Stammlager (basiskamp) gelegen, een 2de kamp
opgetrokken: Birkenau (Auschwitz II), waar gemiddeld 100.000 gevangenen in onbeschrijfelijke omstandigheden werden vastgehouden en
uitgehongerd. De meest 'fortuinlijken' onder de slachtoffers -zowat 70%- werden meteen na hun aankomst in het kamp vergast
en gecremeerd. Daartoe werd in april 1942 het ganse concentratiekampcomplex omgebouwd naar een vernietigingskamp. Vier crematoria
en gaskamers werden gebouwd die tot de laatste dag van het bestaan van het kamp rook en asse bleven produceren.
Ook in het basiskamp
bestond een gaskamer en een klein crematorium. Vanaf april 1942 tot januari 1945 zal de moordfabriek van Auschwitz op volle kruissnelheid werken. Het moordenaarshandwerk maakte van danaf
plaats voor massamoord op grootschalige geïndustrialiseerde wijze. Massamoord op die schaal en op dergelijke fabrieksmatige wijze
was nog nooit gebeurd en heeft zich tot op heden ook nooit herhaald. Naar huidige realistische wetenschappelijke schattingen,
wordt de totale dodentol in Auschwitz thans tussen 1.1 miljoen tot 1.5 miljoen geraamd.
Op 27 januari 1945 werd het beruchtste concentratiekamp Auschwitz-Birkenau (Polen) bevrijd door het Rode Leger. Voordien had
de SS in zeven haasten zoveel mogelijk getracht om de sporen van de genocide uit te wissen. Gaskamers en crematoria werden gedynamiteerd, ook het kleine
crematorium in Auschwitz I (basiskamp) werd vernietigd. Het crematorium zoals dat nu te bekijken is, is een reconstructie op basis
van de originele blauwdrukken. Het kamp was vijf lange jaren het laboratorium van de gruwel geweest voor sadisten zoals Dr. Mengele, Dr. Maria Mandel en zovele anderen,
die ver van de buitenwereld ongestoord hun bestiale gangen hadden kunnen gaan.
Vele kamppersoneelsleden konden na de oorlog
ontkomen (bv. Dr. Joseph Mengele) of wisten vele jaren uit de handen van het gerecht te blijven, door onder te duiken al dan niet
onder een valse identiteit. Andere misdadigers namen gewoon hun oude baan van voor de oorlog weer op en verdrongen wat er was
gebeurd en verzwegen wat ze hadden uitgespookt.
Een van de eerste misdadigers die werd opgepakt en voor de rechter werd gebracht was kampcommandant SS-Obersturmbannführer
Rudolf Höss (1900-1947) die na een ruchtmakend proces
ter dood werd veroordeeld en op 16 april 1947 opgehangen werd in 'zijn' concentratiekamp van Auschwitz. Daarop volgde meteen een
groot Auschwitz-proces dat gevoerd werd in Krakau tussen 24 november 1947 tot 22 december 1947. Drieëntwintig van de beklaagden
kregen toen de doodstraf.
Onder hen kampcommandant SS-Obersturmführer Arthur Liebhenschel die Rudolf Höss was
opgevolgd, SS-Unterscharführer Otto Möll en Dr Maria Mandel,
het hoofd van het vrouwenkamp (Schutzhaftlagerführerin), die vooral bekend zal blijven voor haar aandeel op de moord op
Mala Zimetbaum, een jonge jodin uit Antwerpen.
Het overige kamppersoneel werd veroordeeld tot wisselende gevangenisstraffen. De 23 terdoodveroordeelden werden allen op
28 januari 1948 opgehangen in de Montelupich Gevangenis van Krakau. De stoffelijke overschotten van deze misdadigers werden
nadien aan het Anatomie-Instituut van de Universiteit van Krakau afgestaan als studiemateriaal voor de studenten.
Van 10 mei tot 17 juli 2007 heeft in Frankfurt am Main in het Fritz Bauer Instituut
de tentoonstelling plaats omtrent het beruchte 2de grote Auschwitz Proces (Auschwitz-Prozess 4 Ks 2/63) dat plaats vond tussen 20
december 1963 en 19 augustus 1965. 20 aangeklaagden moesten achttien jaar na de bevrijding van KZ-Auschwitz eindelijk voor hun
rechter verschijnen. Zes beklaagden kregen levenslange gevangenisstraf, de beklaagde SS-Oberscharführer Willi 'Hans' Stark (1921-1991) die amper 19 jaar oud was
toen hij naar Auschwitz kwam kreeg tien jaar gevangenisstraf, tien anderen kregen gevangenisstraffen tussen drieenhalf en vier jaar.
Drie beklaagden werden bij gebrek aan bewijzen vrijgesproken.
De beruchtste veroordeelden onder hen waren: SS-Unterscharführer Pery Broad (1921-1994), Lager-Gestapo, 4 jaar
gevangenisstraf; SS-Unterscharführer Josef Klehr (1904-1988), Sanitätsdienstgrad: levenslang + 15 jaar hechtenis;
SS-Rottenführer Stefan Baretzki (1919-1988), Blockführer: levenslang + 8 jaar hechtenis; SS-Hauptscharführer Wilhelm Boger (1906-1977), Lager-Gestapo bijgenaamd
'Teufel des Lagers' (Duivel van het Kamp): levenslang + 15 jaar hechtenis;
SS-Obersturmführer Dr. Franz Lucas (1911-1994), 3 jaar en 3 maanden hechtenis; SS-Hauptsturmführer
Robert Mulka (1895-1969), 14 jaar hechtenis en SS-Unterscharführer Oswald Kaduk (1906-1997)
die Rapportführer was in het kamp, kreeg eveneens levenslange hechtenis.
Na het tweede grote Auschwitz Proces van 1963-1965 werden in de nasleep ervan, later nog enkele kleinere
processen gevoerd. Zo moesten al in december 1965 SS-Oberscharführer Joseph Erber (1897-1987),
SS Obersturmbannführer Wilhelm Burger (º1904) en Gerhard Neubert zich voor
hun misdaden verantwoorden. Erber kreeg op 16 september 1966 levenslange hechtenis. Tussen 1973 en 1981 hadden er nog enkele
individuele processen plaats tegen SS-Hauptscharführer Willi Rudolf Sawatzki, Frey, Czerwinski en SS-Untersturmführer
Karl Schmidt die tot dan hun gerechte straf konden ontlopen.