Bert Stoop en Hans Jacobs, verslaggevers bij het Auschwitz Proces in 1965: "Dag in, dag uit treinen vol weerlozen en wanhopigen
naar de gaskamers knuppelen, blikken Zyklon-B, het wondermiddel van IG-Farben, leegstrooien in de volgestouwde 'douche-ruimten' en
dan zeggen dat je nooit iemand kwaad hebt gedaan. Wrakken van mensen op een appèl laten doodvriezen, tien tot veertien dagen in cellen laten staan, net zolang
tot het laatste armzalige beetje leven eruit is, mensen bij honderden vermoorden met fenolininjecties [een taak voor SS-Unterscharführer
Josef Klehr, nvdr] rechtstreeks in je hart en dan zeggen dat je er eigenlijk alleen op uit was om mensen te helpen.
Mensen neerknallen tegen een muur, mensen verdrinken in een vijver, mensen martelen tot de dood erop volgt, mensen ophangen of tegen electrisch geladen
prikkeldraad jagen en dan zeggen dat er véél wordt overdreven.
Zeggen dat je bazen grote schurken waren, zeggen dat aan hun bevelen niet te ontkomen viel, zeggen dat anderen, die 'toevallig' dood zijn, al
die verschrikkelijke dingen hebben gedaan, zeggen dat enkel hardhandigheid nodig was om de orde te handhaven, want de kampen waren oneindig groot en eigenlijk was het een
prestatie om zoiets groot te besturen. Kinderen doodschieten, kinderen met de schedels tegen de muur slaan -en met dit al is de hel van Auschwitz nog bij lange na niet geschetst- vrouwen,
mannnen, kinderen, anderhalfmiljoen in getal, in een goed geoliede moordmachine tot as verwerken en dan zeggen: ik ben onschuldig, ik ben voor God en de mensen
onschuldig, ik heb alleen maar tegen de Polen en de bolsjewisten willen vechten, ik ben het slachtofffer van een samenzwering, van de haat van de getuigen, iedereen
is tegen mij, men verwart mij met een ander, de wereld moest eens weten wat ons allemaal is aangedaan, ook wij zijn slachtoffers van Hitler..." Bron: Het Auschwitz-Proces ...een bericht over de levenden en de doden (Hans Jacobs en Bert Stoops)
Ook Hoofdknuppelaar Oswald Kaduk voelde zich een slachtoffer van boosaardige getuigen. Nochtans had hij
helemaal geen moeite om het bestaan van gaskamers en crematoria toe te geven. Daarmee zette hij wel eventjes de naoorlogse negationisten flink voor schut.
Voor Klehr, Eber en Kaduk waren dit namelijk de gewoonste onderdelen van de moordmachinerie. Oswald Kaduk hield zich liever met de levenden bezig. Gaskamers waren voor
de afgeschrevenen, en daar kon Oswald maar weinig mee aanvangen. In het vonnis van de rechtbank van Frankfurt staat te lezen: "Oswald Kaduk
was een van de wreedste, ruwste en gemeenste SS'rs in het concentratiekamp Auschwitz."
SS-Unterscharführer Oswald Kaduk werd geboren als zoon van een smid op 26 augustus 1906 in Königshütte in Opper-Silezië. Kaduk leerde na de lagere
school het beroep van slager maar nam in 1927 dienst bij de brandweer van Königshütte. In 1939 trad hij toe tot de Algemeine SS
en in 1940 werd hij overgeplaatst naar de Waffen SS in Berlijn. Hij streed aan het Oostfront maar werd wegens herhaalde hospitalisatie na ziekte
in 1941 naar het KZ van Auschwitz overgeplaatst. Daar werd hij eerst Blockführer en daarna Rapportführer, een soort toezichter
met speciale bevoegdheden. Hij bleef in Auschwitz tot aan de opheffing ervan op 15 januari 1945.
Na de bevrijding was hij korte tijd werkzaam in een suikerfabriek in Lobau (dan Oost-Duitsland genoemd) waar hij in december 1946 werd herkend door een
voormalige kampgevangene. Hij werd opgepakt door de Russen en door een Sovjet-Russische rechtbank in augustus 1947 veroordeeld tot
25 jaar dwangarbeid. In april 1956 verkreeg Kaduk gratie en vluchtte naar West-Berlijn, waar hij als verpleegkundige aan de slag
kon in een ziekenhuis in Tegel-Nord. Wegens zijn opvallende hulpvaardigheid kreeg hij daar al gauw de bijnaam
'Papa Kaduk'. Papa Kaduk werd echter in juli 1959 herkend en opnieuw gearresteerd. Tijdens
het ruchtmakende 2de grote Auschwitz Proces van 1963-65 was Kaduk één van de hoofdbeklaagden. Hij werd veroordeeld tot levenslange
gevangenisstraf wegens bewezen moord in tien gevallen en mededaderschap aan moord in minstens duizend andere gevallen. In 1989 kwam hij
vervroegd vrij en overleed in 1997 op eenennegentig-jarige leeftijd.
Nog tijdens het proces kwam de moordlust van Oswald Kaduk, dankzij een ganse reeks bezwarende getuigenissen, spoedig vast te staan. Zo getuigde ondermeer
Alfred Korn op het proces hoe een en ander in zijn werk ging bij de selectie voor het werk, dat één van de taken was van Rapportführer Kaduk: "
De heren Kaduk en Clausen zaten schrijlings op twee krukjes. Zij hadden kleine stokjes in de hand en de gevangenen liepen in
ganzepas langsheen Kaduk en Clausen. Tijdens het lange defilé van gevangenen monsterde Kaduk en de zijnen alle voorbijkomenden en
liet hij iedereen die volgens hem te zwak was of niet meer in staat was te werken, door gevangenen die werkzaam waren op de
administratie, hun nummers opschrijven. Nog dezelfde nacht werden die allemaal uit hun barakken gehaald, op vrachtwagens geladen en naar
de gaskamers afgevoerd."
Oswald Kaduk zelf herinnert zich daar allemaal niets van. Kaduk (in 1965): "Er waren immers
zeventienduizend gevangenen in Auschwitz[A-I-basiskamp, nvdr] en wij moesten hen in bedwang houden. Natuurlijk heb ik wel eens iemand geslagen, maar er waren er die al
omvielen als ik mijn hand maar ophief; die deden maar alsof." Een andere beklaagde die naast Kaduk in de rechtbank
zat, Dr. Capsesius, moest om deze uitspraak eens hartelijk lachen.