Zo moest Kaduk in september/oktober 1943 toezicht houden bij een gevangenencommando dat zware stenen moest verslepen van het station in Auschwitz naar het kamp. Vele
gevangenen hadden niet eens schoenen meer en konden zich slechts moeizaam voortbewegen. Kaduk had het gezien en begon te schelden
en gaf het bevel om de stenen in looppas verder te dragen. Kaduk ging toen 'sport' met hen bedrijven: ze moesten in een kring rondlopen, springen,
zich laten vallen en weer opstaan enz. Drie gevangenen bleven liggen en raakten niet meer recht. Kaduk schopte ze met zijn zware
laarzen en ging boven op hen staan. Eén van de slachtoffers stierf even later aan de gevolgen.
Oswald heeft 'goeie' excuses verzonnen. Helemaal niet onder druk van niets of niemand in 1979 voor de camera van de
Sudwestfunk vanuit zijn cel: "Ja, ja, wij wisten toch meneer, ach, wij waren toen nog jong, dan deed
je zoiets, waarschijnlijk. Nu is een mens ouder geworden en dan zie je alles wat je toen beleefd hebt, wat je gezien hebt... Ellende allemaal,
alleen maar ellende, ja toch..." [Kaduk was 33 jaar toen hij in Auschwitz aankwam en 38 jaar toen hij het verliet,
niet echt 'jong', nvdr]
Nadat Oswald Kaduk in Auschwitz aan de slag was gegaan, begon hij enorm te drinken. "Laat ik u dit zeggen: ik heb in mijn hele leven niet zoveel gedronken als in Auschwitz. Misschien lacht u daarom,
moeten anderen daarom lachen. Maar laat ik u zeggen, dat ik heel vaak, als ik me 's morgens vroeg bij de chef kwam melden, als ik de dienst had ingedeeld, dan was het heel
vaak zo, dat ik om negen uur 's morgens al een flinke slok op had. Hij merkte dan wel, mijn chef, dat ik gedronken had, maar het was nooit zo erg, dat ik
niet meer op mijn benen kon staan, bij wijze van spreken.
"
Het vonnis van de rechtbank van Frankfurt maakt melding van een ander dergelijk gewelddadig feit. Zo ontbrak in het najaar van 1944
bij het avondappèl een gevangene. De gevangenen die waren aangetreden moesten blijven staan wachten tot de ontbrekende man was gevonden. Kaduk
en andere SS'rs sloegen zo hard op de gevangene in dat hij telkens weer half buiten bewustzijn op de grond viel, waarna een emmer
water over hem werd uitgegoten. Telkens de man overeind krabbelde begon de afranseling opnieuw, tot de man uiteindelijk murf geslagen bleef liggen. Hij lag
op zijn rug maar leefde nog. Kaduk en andere SS'rs sprongen toen met hun zware laarzen zo dikwijls en hard op de borst van hun slachtoffer dat diens ribben braken.
Kaduk en zijn kompanen hielden er pas mee op toen bleek dat de man overleden was. [orig: "Im Spätsommer 1944 fehlte beim
Abendappell ein Häftling. Die angetretenen Häftlinge mußten so lange stehen bleiben, bis der Fehlende schließlich gefunden wurde.
Kaduk und ein anderer Rapportführer schlugen so auf den Häftling ein, daß er mehrfach zu Boden fiel. […] Schließlich blieb der
Häftling auf dem Rücken liegen, er lebte aber noch. Kaduk und der andere Rapportführer traten daraufhin mit voller Kraft mit
ihren Stiefelabsätzen auf den Brustkorb des Häftlings bis - so die Feststellungen des Frankfurter Schwurgerichts - die Rippen
krachten. Kaduk und der andere hörten erst […] auf, als der Häftling tot war." (Ebbo Demant)
De Schrik van het Kamp in 1979 voor de camera's van de Sudwestfunk: "Ik wil maar zeggen, dat ik ze kort gehouden heb, ja toch. Heel kort. Bij mij viel er niks te halen.
[..]Ik heb ze geslagen, ja, dat geef ik toe. Maar ik heb ze niet doodgeslagen. Ik heb vaak geslagen, geef ik toe, ja toch, ik bedoel, ik wil
niet zeggen dat in zo'n kamp... ja toch? Ik heb ze zandbakken gegeven, spuugbakjes, zoals we dat noemden, niet. Die waren verantwoordelijk geweest, die hebben
er zand over gegooid. Ze waren vroeg gekomen en die hebben toen gespuugd op... en ik, niet op het voetpad en het trottoir... en ik heb toen gezegd, kom eens hier, heb ik toen gezegd, kom eens hier,
doe je dat thuis ook zo? Nee? En toen heeft ie er van langs gekregen. Dat was goed. En daarmee was de zaak voor mij af, ja toch?
Geef toe, als hij niet vlug was, dan gaf ik hem heel kort, onder z'n kont... hoe noem je dat? voor z'n achterste. Dat moest je zo wel
doen. Zo was het nu eenmaal, ja toch? Het was niet anders. Ja, ik was, nou ja, ik was niet geliefd, vooruit dan."
In de herfst van 1943 gebeurde het dat een groep gevangenen uit het quarantainelager van Birkenau een ganse dag lang op appèl
moesten staan. Niemand mocht de rijen verlaten. Echter, een gevangene die dringend zijn behoefte moest doen, sloop weg uit de
rijen, maar Kaduk had het gezien. Hij sloeg en schopte de arme man waar hij hem maar kon raken. Vervolgens rukte hij de muts van
het hoofd van de man en wierp die die over de omheining waar de dubbele rij prikkeldraad het ganse kamp omringde en verboden
terrein was voor de gevangenen. Kaduk bevool de man om zijn muts terug te halen. Toen hij dat deed werd hij door een bewaker
vanuit een wachttoren doodgeschoten. Kaduk was natuurlijk op de hoogte dat de soldaat opdracht had gekregen om op iedereen te
vuren die binnen de omheining op het verboden terrein kwam. Alleen om die reden had hij die muts van de gevangene over de
prikkeldraad geworpen.
Kaduk in 1979: "Ja, ja, maar hoe moesten wij het voor elkaar krijgen? Had ik de heren soms met fluwelen handschoenen
moeten aanpakken? Ik mocht toch aannemen dat ik met gewone mensen sprak... en als ik zei, het is verboden, dan wás
het verboden... Zo ben ik nu eenmaal opgevoed, ja toch. Zo is mijn aard nu eenmaal en daar heb ik me altijd goed bij bevonden, het
hindert me niks dat ik zo ben. Men zegt nu, dat het niet goed is, maar wat kan ik anders? Ze zeggen nu allemaal hier... ja toch?"