
In augustus 1914 valt het Duitse leger het neutrale België binnen om te kunnen doorstoten naar Parijs. Het nieuws van executies,
platgebrande dorpen en plunderingen schokt de wereld. De geallieerde propaganda spreekt al gauw verontwaardigd over de
'verkrachting van België'. Anderzijds rechtvaardigt de vijand zijn optreden met het argument te worden bestookt door
franc-tireurs.
[een franc-tireur of vrijschutter is een niet geüniformeerde sluipschutter, cfr. partizaan, guerillastrijder, nvdr]
De controverse bestaat tot op heden. Minder bekend is dat de 7 miljoen Belgen ruim vijftig maanden bezetting moesten verduren en constant leefden
onder de dreiging van wrede terreur. Dit boek beschrijft deze omstandigheden en de blijvende gevolgen. Een schokkend beeld dat
om bijstelling vraagt van onze huidige kijk op de Eerste Wereldoorlog.
Vóór augustus 1914 was België de op vijf na grootste industriële macht ter wereld en een van de oudste democratieën,
maar de Duitsers plunderden het land leeg en installeerden er een totalitair regime. Bezet België was een voorbode van nazi-Europa,
iets dat de Britse en Amerikaanse regeringen niet konden of niet wilden zien.
De onwetenheid of het gebrek aan belangstelling voor de Belgische bezetting
bleek duidelijk in 1919 bij de Parijse vredesonderhandelingen. In de jaren daarna groeide het geloof dat de beproevingen van België zich tot 1914
beperkten (of zelfs nooit hadden plaatsgevonden) en dat het Duitse leger zich niet slechter had gedragen dan een andere bezettingsmacht.
Critici lieten geen spaan heel van de gruwelverhalen en beweerden dat men de Duitse dreiging ernstig had overdreven. Het martelaarschap van
België was in de ogen van velen een schandelijke leugen.
Op de vlucht voor wrede Duitsers.
Belgische vluchtelingen overspoelden Nederland na de val van Antwerpen. Bron:
Vluchtoord Uden.nl
De datum van 10 oktober 1914 staat bekend als de Val van Antwerpen. Op 4 augustus 1914 viel Duitsland België binnen.
Tienduizenden Belgen sloegen op de vlucht, beangstigd door de verhalen over de wreedheid van de Duitse veroveraars. Ze konden maar
twee kanten op: naar Nederland of het Kanaal over naar Engeland. Om de nood van de vluchtelingen te lenigen, werd al snel het
Nederlands Comité tot steun aan Belgische en andere slachtoffers (kortweg: Amsterdams Comité) opgericht. Het was een particulier
initiatief, maar later coördineerde de overheid het werk.
Het grootste aantal vluchtelingen kwam Nederland binnen na de beschieting en de val van Antwerpen op 10 oktober 1914. Op dat
ogenblik waren er naar schatting een miljoen Belgen in ons land, onder wie meer dan 40.000 militairen. De regering verspreidde
de burgervluchtelingen over het land, waarna provinciale vluchtelingencomités zich over hen ontfermden. De militairen werden
ontwapend en geïnterneerd. Zo'n 7000 soldaten zagen echter kans in burgerkleren via Vlissingen naar Engeland te ontsnappen om
daar opnieuw dienst te nemen. Zes generaals en 400 andere officieren kregen onderdak in Zwolle.
Reeds op 12 oktober begonnen de onderhandelingen tussen de Belgische overheid en de Duitse bezetter over de terugkeer van de
burgerbevolking. De Nederlandse regering oefende zachte drang uit om zo veel mogelijk Belgen naar huis te laten gaan. In november
1914 waren er nog 323.600 vluchtelingen geregistreerd, in december nog 200.000 en vanaf mei 1915 bleef het aantal tot het eind
van de oorlog constant: 105.000. België ontvluchten ging niet meer: de Duitsers grendelden de grens van Vaals tot Cadzand af
met een 180 kilometer lange draadversperring. Honderden mensen kwamen om doordat dit 'IJzeren Gordijn' onder een spanning van
2000 volt stond.
De Nederlandse regering vond dat de opvang van vluchtelingen vooral een taak was voor de gewone burger. Er waren echter te weinig
particulieren die vluchtelingen onderdak boden. Daarom kwamen er enkele tijdelijke kampen, terwijl tegelijkertijd de bouw van een
permanent kamp in Nunspeet startte[..] Bij het onderbrengen van de vluchtelingen streefden de autoriteiten naar het type
huisvesting dat paste bij de sociale status van de vluchteling. Vermogende Belgen mochten zich buiten de vluchtoorden vestigen.
De overheid rangschikte de arme vluchtelingen in drie categorieën: A: gevaarlijke of ongewenste elementen, B: minder gewenste
elementen, C: fatsoenlijke behoeftigen.