
Dertien jaar oud was Hortense Daman uit Leuven toen de oorlog uitbrak. Via haar broer François kwam zij in het verzet terecht en
ze kreeg als koerierster steeds gevaarlijker en verantwoordelijker opdrachten. Op Valentijnsdag 1944 deed de Gestapo een inval in het
ouderlijk huis van Hortense. François werd niet gegrepen, maar Hortense en haar ouders, die als kruideniers zorgden voor de voedselvoorziening
van verzetsmensen en onderduikers, werden gearresteerd en naar de Leuvense gevangenis gebracht. Na eindeloze ondervragingen kwamen Hortense en haar moeder, gemarteld en ter dood veroordeeld, terecht in Ravensbrück, Hortenses
vader, Jacques Zaman, ging naar Buchenwald. Slechts met bovenmenselijke kracht wisten Hortense en haar moeder de verschrikkingen
van "
l' enfer des femmes" te doorstaan
Hortense Daman is om haar moed tot Ridder in de Leopoldsorde verheven, zij ontving het oorlogskruis en de Medaille van het Verzet
en voor haar hulp aan de Russen een onderscheiding van het Sovjet-comité van oorlogsveteranen. Zij woont nu al meer dan 50 jaar
in Engeland.
"Door de omstandigheden van haar omgeving raakte zij, als een wilskrachtig kind, ingeschakeld in het gewapende verzet tegen de bezetter. Zij
ging door een tijd van strijd om het leven en even later ook van foltering. Na een nieuw, nu vredig bestaan van meer dan veertig jaar
in Engeland, heeft zij haar verhaal te boek laten stellen. Het boek trekt vveel aandacht in Engeland. Nog even, en dat zal ook bij
ons het geval zijn." (De Standaard/Het Nieuwsblad)
"”Child at war” is het harde, aangrijpende en ontroerende verhaal van een moedig meisje, dat verraden werd en
met haar ouders thuis te Heverlee werd aangehouden door Belgische en Duitse SS-rs, in het concentratiekamp van Ravensbrück ten dode was opgeschreven en
gruwelijke medische proeven onderging." (Het Nieuwsblad)
Ontroerend weerzien van
François, broer van Hortense, met vader
Jacques Daman in het concentratiekamp van Buchenwald,
één week nadat het kamp op 11 april 1945 bevrijd werd door de 6de Pantserdivisie van het 3de Amerikaanse leger. De eersten die het kamp
binnenliepen, waren sergeant Herb Gottschalk en kapitein Heffer, later hoogleraar aan de Universiteit van Pittsburgh. Ze troffen 21 000
mannen aan en een open greppel met meer dan 15 000 rottende graatmagere lijken. Nooit zouden ze de stank en de aanblik van
de menigte gevangenen vergeten die hen kwamen verwelkomen. Sommigen schuifelden zo traag vooruit dat ze zich nauwelijks leken te bewegen. Hun uitgemergelde lichamen
hadden geen kracht meer.