 Eind jaren dertig
werd de toestand voor de Joden in Europa, maar vooral in de Oost-Europese landen onhoudbaar. Zij die na de zoveelste pogrom nog een paar centen over hadden, trachten te
ontkomen naar het buitenland. Velen van hen die aanvankelijk naar West-Europa, vooral de Lage Landen en Frankrijk, maar ook naar Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland waren
uitgeweken, kwamen later in de val te zitten, wanneer de nazi's op 10 mei 1940 West-Europa binnenvielen en op 22 juni 1941 Rusland binnenstormden. De enige veilige wegen
leidden naar overzeese gebieden zoals de Verenigde Staten, Engeland en... Palestina, dat toen nog onder Brits bestuur stond. Met Het Witboek van 17 mei 1939
(White Paper) kozen de Britten resoluut voor de Arabische belangen. Behalve beperkingen voor de Joden in Palestina in bepaalde sectoren zoals het verwerven van
eigendom en gronden, bepaalde het Witboek onder meer dat slechts over de volgende vijf jaren maximaal 75.000 Joden Brits Mandaatgebied Palestina binnen mochten, en
dat op het hoogtepunt van de Jodenvervolging! Uit de Conferentie van Evian van 6 juli 1938 was gebleken dat nagenoeg geen enkel land ter
wereld de Joden wilde opvangen, zelfs België stuurde gewapenderhand Joodse vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk terug de grenzen over! Aldus kwam in de
jaren dertig noodgedwongen de Alijah Bet op gang: de illegale immigratie van Joodse vluchtelingen naar Palestina, over land maar vooral per schip.
De Alijah Bet liep door tot aan de oprichting van de staat Israël op 14 mei 1948 en ook na het einde van WOII via de Bricha-route, wanneer de Oost-Europese Joden massaal hun landen
ontvluchtten. Een riskante onderneming want de meeste schepen werden door de Britse Marine geënterd nog voor ze aan land raakten en hun onfortuinlijke passagiers
opgesloten in speciale gevangenenkampen op de eilanden Cyprus of Mauritius of in met prikkeldraad afgespannen kampen in Palestina. Eén van de zovele helden die het
Jodendom rijk is, was de toen 25-jarige Ruth Klüger die vele duizenden vluchtelingen aan de Shoah hielp ontsnappen. Aan deze ongelooflijk moedige vrouw
is dit derde deel opgedragen.

Kishinev, Bessarabië (Roemenië), 28 oktober 1941. Roemeense soldaten controleren de deportatie van de Joden van Kishinev
Jodenvervolging in Roemenië
Afbeelding rechts:
Boekarest, Roemenië in 1940. Horia Sima, de leider van de fascistische IJzeren Garde en vice-Eerste Minister in de Roemeense regering van 1940
Anders dan in veel Westerse landen, waren het de Roemenen zèlf die de Jodenvernietiging in eigen land uitvoerden. Net zoals de regimes van bijvoorbeeld de Ustascha in Kroatië en de
Pijlkruisers in Hongarije zal het Roemeense 'legionaire' regime van Antonescu fanatieker te werk gaan en in gruwelijkheid de nazi's herhaaldelijk naar de kroon steken.
Meermaals zal de SS de Roemeense regering moeten vermanen om 'het wat kalmer aan te doen'. [sic] Jodenhaat en christelijk geïnspireerd antisemitisme woekerde - net
zoals in de rest van Europa - onderhuids verder in Roemenië tot het antisemitisme eind jaren twintig met de oprichting van de fascistische en virulent
antisemitische IJzeren Garde (Garde de fier) in 1927 een uitlaatklep vond. Reeds in december 1937 kreeg Roemenië haar eerste pro-nazi gezinde regering. Onder het regime van
minister-president Octavian Goga werden vanaf mei 1938 de eerste officiële anti-Joodse maatregelen ingevoerd. Bijna 120.000 Joden verloren de Roemeense nationaliteit.
De regering van Goga kwam spoedig ten val en ook de IJzeren Garde werd geviseerd. Haar oprichter en toenmalige leider Corneliu Codreanu werd
in 1938 op bevel van de Roemeense koning Carol II gearresteerd, doodgeschoten en zijn lijk met zuur overgoten. Horia Sima volgde Codreanu op, maar de rol
van de IJzeren Garde was voorlopig uitgespeeld.
In de zomer van 1940 werd Roemenië gedwongen groten delen van haar grondgebied af te staan. Het verloor Bessarabië en Noord- Boekovina aan de Sovjet-Unie, Hitler had dit aan
Stalin beloofd en liet de Roemeense koning Carol II botweg weten dat hij het maar had te accepteren. Ontevredenheid met dit verlies en een volksopstand hadden de
vlucht van de koning en de installatie van een nieuwe regering voor gevolg. Op 4 september 1940 greep Maarschalk Ion Antonescu (1882-1946) de macht en zal die de volgende vier jaren tot aan zijn val op
23 augustus 1944 behouden. Vanaf 14 september 1940 zal Antonescu zichzelf tot Conducator al Statului ('Leider van de Staat') benoemen. De eerste periode van
zijn bewind van september 1940 tot januari 1941 bestuurde hij een coalitieregering waarin ook een aantal leiders van de IJzeren Garde in zetelden. Leider Horia Sima werd zelfs
vice-premier van Roemenië. Andere grote delen die Oud-Roemenië moest afstaan waren Noord-Transsylvanië aan Hongarije en Zuid-Dobrudja aan Bulgarije. Pas na dit verlies
van grondgebied zal Roemenië in november 1940 toetreden tot de Asmogendheden (bondgenootstaten) van Hitler, net zoals reeds voordien Bulgarije was toegetreden.
Afbeelding links: Boekarest, Roemenië, januari 1941.
Volledig verwoeste Sefardische synagoge die tijdens de pogrom van 21-23 januari 1941 door milities van de IJzeren Garde volledig in as werd gelegd
Deze coalitieregering van premier Antonescu samen met de IJzeren Garde blonk vooral uit door virulent antisemitisme, aanhoudende pesterijen en dodelijk geweld tegen
Joden, zigeuners en andere minderheden die dra gruwelijke proporties zal aannemen. Antonescu besloot tot de 'Roemenisering' van zijn land. Eerste en belangrijkste slachtoffers waren de Joden die hebben en houden verloren, beroofd werden van hun staatsburgerschap, ondernemingen
en bedrijven werden ontnomen enz. Deze anti-Joodse maatregelen veroorzaakten eind 1940 een eerste vluchtgolf van Joden die met wrakke schepen Palestina trachtten te bereiken.
Begin 1941 kwam de IJzeren Garde in opstand tegen het regime van Antonescu. De putsch die op 20 januari was begonnen werd al na drie dagen neergeslagen, maar was wel intussen
uitgelopen tot een bloedige pogrom tegen de Joden.
Drie dagen lang werd er door IJzeren Gardisten geplunderd en gemoord in de straten van Boekarest. In zwarte lederen
jackets geklede IJzeren Gardisten, raasden op motorfietsen doorheen de straten van Boekarest en terroriseerden iedereen die ze op hun weg tegenkwamen in hun zoektocht
naar slachtoffers en kostbaarheden. Synagogen werden afgebrand, Joodse handelszaken vernield, Joodse burgers op straat aangevallen en ter plaatse als beesten afgemaakt. De Duitse militaire attaché in Boekarest schreef in zijn rapport van 27 januari 1941: "In het lijkenhuis
van Boekarest ziet men honderden lichamen, maar voor het merendeel betreft het Joden [doch handelt es sich minstens um Juden]." Joodse slachtoffers werden niet simpelweg vermoord
maar in koelen bloede afgeslacht. Sommige lichamen waren zozeer toegetakeld dat ze geen enkele menselijke gelijkenis meer vertoonden. In het plaatselijke slachthuis ontdekte men lijken
die als kadavers van slachtvee aan haken hingen. Een vijfjarig meisje bungelde aan haar voeten als een geslacht kalf aan een haak, haar lichaam helemaal onder het bloed.
Afb. rechts: slachtoffers van de Iasi pogrom van januari 1941 door IJzeren Gardisten
in de straten van Boekarest
Na de mislukte putsch van de IJzeren Garde en de chaos die de Garde had veroorzaakt, besloot Antonescu in te grijpen en werd eind januari '41 de Garde
(met Duitse instemming) uit de regering gezet. Een opstand van Gardisten die daarop volgde werd hardhandig neergeslagen. Horia Sima bekloeg zich over zijn nederlaag
bij Heinrich Himmler, en stak de schuld van die nederlaag op de Joden en vrijmetselaars, die volgens hem Antonescu manipuleerden. Echter Himmler sympathiseerde duidelijk
met de 'Conducator' Antonescu in wie hij een stevige bondgenoot vond. Sindsdien zou de IJzeren Garde nooit meer een rol van betekenis spelen. Antonescu nam weldra de Jodenvervolging in eigen handen en vanaf 21 maart 1941 volgde de ene anti-Joodse maatregel na de andere.
De Roemeense vernietigingsmachine zal pas goed op dreef komen na de inval door het Duitse leger op 22 juni 1941 (Operatie Barbarossa) en Roemenië als bondgenoot van Hitler
terug Noord-Boekovina en Bessarabië heroverde en inlijfde bij zijn land.
Nauwelijks drie dagen na de inval in Rusland, 25 juni 1941, werd onder het mom dat Sovjetrussische parachutisten in de omgeving van de Roemeense stad
Iasi waren geland, een inval uitgevoerd door de 14de Divisie van het Roemeense leger die onder het
bevel stond van generaal Stavrescu. De Joodse gemeenschap van Iasi telde in 1930 ongeveer 35.000 Joden of zowat 60% van de totale bevolking van die stad. Door Roemeense regeringssoldaten
werden Joden willekeurig opgepakt en op 30 juni werden twee goederentreinen volgestouwd met Joodse arrestanten die met respectievelijk 2.500 en 1.900 Joden naar het binnenland gestuurd.
De veewagons werden verzegeld en reden dagenlang zonder duidelijk bestemming doorheen het land. De Joden in de wagons stierven bij bosjes in de wagons door gebrek aan eten en
water en als gevolg van verstikking. Af en toe maakten Roemeense soldaten de deuren van de wagons open, haalden er de lijken uit en verbrandden ze in massagraven. In de twee
door Roemeense fascisten georganiseerde 'Treinen van de Dood' kwamen 2.421 Joden om. Dit was echter nog maar peanuts vergeleken met wat nog komen moest.
Afb. Links: Treinstation van Iasi, einde juni 1941.
Roemeense politiemannen duwen Roemeense Joden, overlevenden van de Iasi-pogrom, in goederentreinen voor hun deportatie naar Calarasi in het binnenland
Roemenië kende voor het begin van de Tweede Wereldoorlog op Polen en Rusland na, de grootste Joodse gemeenschap van Europa. Volgens een volkstelling uit 1930 woonden
er in Oud-Roemenië (d.w.z. het grondgebied inclusief de latere afgestane delen) 756.930 Joden. Hiervan woonden er 427.926 in de latere verspeelde gebieden: 278.943 in Noord-Boekovina, Bessarabië en de Donaudelta); 148.173
in Transsylvanië (later Hongarije) en 846 in Zuid-Dobrudja). In de gebieden die Roemeens bleven werden 328.968 Joden geregistreerd. Na de oorlog bleek meer dan de helft
van de Roemeense Joden te zijn vermoord.
Opvallend daarbij was dat het overgrote deel van de Joodse slachtoffers werden vermoord in gebieden die Roemenië later verloor:
ruim 200.000 in Bessarabië, 124.632 in Boekovina, 105.000 in Transsylvanië en 40.000 elders in Roemenië. Als gevolg van die opdeling van Roemenië zullen tot op vandaag
Roemeense negationisten blijven beweren dat er op Roemeens grondgebied nooit een Holocaust heeft plaatsgevonden. Dat is natuurlijk onzin. De grootste genocide in Roemenië
had plaats nadat Bessarabië en Boekovina na de inval in Rusland opnieuw werden ingelijfd bij Roemenië en de Roemenen zèlf de Jodenvernietiging in handen namen, nog vooraleer
de Duitse Einsatzgruppen en de SS hun gangen konden gaan.
Tussen juni 1941 en juni 1942 werden het de zwartste tijden voor de Joden van Roemenië. Ion Antonescu verklaarde op 8 juli 1941 de Joden in Bessarabia en Boekovina
letterlijk vogelvrij tot 'schietwild': "Het ogenblik is gekomen om de Joden uit Bessarabië en Boekovina te verbannen naar de andere oever van de Dnjestr. Ze hebben
hier niks te zoeken en het kan me geen zier schelen als ze ons later in de geschiedenis afschilderen als barbaren. Er is nooit voordien in de geschiedenis
een betere gelegenheid geweest om ons van de Joden af te maken en, indien noodzakelijk, richten we onze machinegeweren op hen." Slachtpartijen op Joden vonden plaats aan
de ene kant van de oever van de rivier onder het commando van de Roemeense kolonel Tudose.
Afb. rechts: Af en toe maakten Roemeense soldaten de deuren van de wagons open, haalden er de lijken uit en verbrandden ze in massagraven. In de twee
door Roemeense fascisten georganiseerde 'Treinen van de Dood' kwamen 2.421 Joden om
Op de andere oever was intussen Einsatzgruppe D de gevluchte Roemeense Joden aan het 'uitdunnen'. In haar rapport van 2 september 1941 meldde Einsatzgruppe D dat ze ter plekke 1.265 Joden had doodgeschoten en ongeveer 27.500 anderen had teruggedreven
over de rivier (waar de Roemeense killersquads hen weer opwachtten). Aldus vond een makaber spel plaats tussen Duitsers en Roemenen, die elkaar de Joden toespeelden
tot ze ten langen leste bijna allemaal vermoord of gedeporteerd waren. Op 17 oktober 1941 noteerde SS-Haupsturmführer Richter in zijn rapport: "Volgens vandaag
van directeur-generaal Lecca ontvangen informatie worden 110.000 Joden in Boekovina en Bessarabië gedeporteerd naar twee wouden bij de rivier de Bug. Voor zover hij
dit kon nagaan, vloeit de Aktion voort uit een bevel van maarschalk Antonescu. Oogmerk van de actie zou de liquidatie van deze Joden zijn
[Sinn der Aktion sei die Liquidierung dieser Juden]."
Op bevel van Antonescu vond tegelijk ook de gettoïsering van de Joden plaats. Joden werden vanaf november 1941 samengepakt vooral in kolonies in Transnistrië. Al van bij het begin waren de
omstandigheden er verschrikkelijk. Geen eten en geen water, geen sanitaire voorzieningen noch behoorlijk onderdak, zorgden dra dat er besmettelijke ziekten uitbraken.
Vooral een hardnekkig typhus-epidemie maakte er duizenden slachtoffers. Op 6 januari 1942 zond een wanhopige Joodse leider naar het Zionistisch kantoor in Genéve waarin hij
de toestanden beschreef in Mogilow-Podolski waar zo'n 12.000 Joden op elkaar gepakt zaten. Hij meldde dat er ruim 5.000 waren aangewezen waren op een stuk brood uit de gaarkeuken
en dat er dagelijks 60 doden vielen. Duizenden van hen hadden typhus gekregen en een op drie bezweek aan die ziekte. Er bevonden zich ook twee concentratiekampen
in Transnistrië - Piczoria (Peciora) en Vapniarca - waar de leefomstandigheden zo mogelijk nog erger waren. Een getuige vertelde dat in het KZ Piczoria zozeer honger
werd geleden dat de kampbewoners zich voedden met schors en bladeren van bomen, gras aten en zelfs menselijke overblijfselen niet schuwden.
Berlijn, 25 november 1941. Groot-Moefti van Palestina
Amin Al-Hoesseini op bezoek bij Adolf Hitler. Al-Hoesseini over die alliance met de Führer: "Onze belangrijkste voorwaarde om samen te werken met Duitsland was
vrij spel te verkrijgen zodat we in Palestina en de Arabische wereld tot de laatste Jood konden uitroeien."
Tegen het einde van 1942 begonnen de Roemenen stilaan genoeg te krijgen van het moorden. Ze weigerden - tot grote consternatie van de nazi's - de SS 300.000
overlevenden Joden uit te leveren voor deportatie naar de vernietigingskampen in het Oosten. De Duitse gezant von Killinger in Boekarest rapporteerde op 12 december 1942
dat Radu Lecca, de supervisor van het Centraal Bureau voor Roemeense Joden, hem vertelde over een plan van maarschalk Antonescu om aan een 80.000
Joden toelating te geven om te emigreren naar Palestina, in ruil voor 3.340 Rijksmark per hoofd.
Aldus zag hij een makkelijk middel om de Joden te lozen en er nog een smak geld over te houden. Er was natuurlijk één 'probleem': te weinig scheepscapaciteit en het ontbreken van een bestemming. De Britten hadden de deur naar Palestina
op slot gedaan voor de Joden en, de catastrofe met de M/S Struma van 24 februari 1942 indachtig, leek de uittocht van de Roemenen via schepen een bijzonder hachelijke
onderneming te worden.
Bovendien was er ook nog het protest van de Groot-Moeftie van Jeruzalem, Amin El Hoesseini,
omtrent de aankomst van vierduizend kinderen vergezeld van vijfhonderd volwassenen, die Palestina alsnog hadden bereikt. De Groot-Moeftie had zijn lot verbonden aan de
overwinning van nazi-Duitsland en was door de Britten inmiddels verbannnen uit Palestina. Hij verzocht de Duitse minister van Buitenlandse Zaken zijn uiterste best te doen [das Außerste zu tun] om verdere emigratie van Joden uit Hongarije,
Roemenië en Bulgarije te beletten. De Duitsers beaamden het protest van de Groot-Moefti en reageerden door een veilige doorvaart te blokkeren en te verklaren
dat Palestina een Arabisch land was. Hoe dan ook, met het geld dat Antonescu de wanhopige overlevende Joden van Roemenië aftroggelde, kon hij de Britten
in Palestina niet vermurven. De Britten hielden deur naar het Beloofde Land bleef op slot en dat zal zo blijven tot aan de onafhankelijkheid van Israël in mei 1948.

Het Aliya Bet schip de Italiaanse Archimidis, door de Haganah herdoopt naar M/S The United Nations, slaagde erin om de Britse blokkade te omzeilen en
kon op 1 januari 1948 haar 537 Joods vluchtelingen veilig op het strand nabij Naharia in Palestina afzetten
Britse politiek tav de Joden voor, tijdens en na WOII
Afb. rechts:
Emir Faisal I (rechts) en Chaim Weizmann (eveneens gekleed in Arabische kledij als uiting van zijn vriendschap) in 1918 in Syrië
In 1917 was de oprichting van de Joodse staat Israël een stuk dichterbij gekomen door de Balfour-declaratie van
2 november 1917, genoemd naar de Britse Minister van Buitenlandse Zaken James Balfour, die een overeenkomst sloot tussen Groot-Brittannië en delen van het uiteengevallen
Ottomaans-Turkse Rijk. De Balfour-declaratie voorzag na 400 jaar Turks-Ottomaanse overheersing een thuisland [national home] voor de Joden in Palestina, dat echter tot aan de
onafhankelijkheid van Israël op 14 mei 1948, onder Brits mandaat zal blijven. Zeer tegen de zin - om verschillende redenen - van zowel Joden als Arabieren in
Palestina. Echter, de Balfour-verklaring werd dra onder de diplomatieke mat geveegd. Tijdens de Conferentie van San Remo van 24 april 1920 hadden Frankrijk en
Groot-Brittannië onder elkaar de toekomst van de voormalige Ottomaanse gebieden in het Midden-Oosten bepaald. Hoe de grenzen van de nieuw gebieden zouden lopen,
zouden beide landen later wel onder elkaar bepalen.[sic] Op 1 juli 1920 verving Groot-Brittannië zijn militair bestuur in Palestina door een burgerlijk bestuur.
Frankrijk maakte aanspraak op het huidige Syrië en Libanon en verjoeg de Syrische koning Faisal uit de Syrische hoofdstad Damaskus. Koning Faisal I had nog maar net
- 8 maart 1920 - het soevereine Koninkrijk Groot-Syrië uitgeroepen en kon zes weken later onder druk van Britten en Fransen weer opkrassen. Syrië en Libanon
werden Frans Mandaat en Groot-Brittannië kreeg het Mandaat over Irak, Trans-Jordanië en het overgebleven deel van Palestina.
Door het akkoord tussen Fransen en Britten van San Remo, dat op 24 juli 1922 door de Volkenbond werd bekrachtigd, verloor de toekomstige staat Israël voor vele jaren de laatste van haar Arabische bondgenoten in de regio.
Op 3 januari 1919 namelijk hadden emir Faisal Ibn-Hoessein en Chaim Weizmann, de zionistenleider en in 1948 de eerste President
van Israël, in Versailles een verklaring ondertekend waarin Palestina werd erkend als afzonderlijke Joodse eenheid, op voorwaarde dat de Britten en de Fransen tegemoet
zouden komen aan de Arabische claims op andere gebieden in de regio, wat dus falikant zal uitdraaien. Faisal en Weizmann waren het er toen over eens dat een nauwe
samenwerking tussen de Arabische en Joodse staat de beste voorwaarde voor verwezenlijking van het nationalistisch streven van beide partijen was. Op 3 maart 1919
schreef Faisal aan Weizmann onder meer: "De Arabieren, en in het bijzonder de meer ontwikkelden, staan tegenover de zionistische beweging met zeer diepe sympathie
en wensen de Joden van ganser harte een gelukkige thuiskomst toe. Wij zullen samen ijveren voor een nieuw Midden-Oosten, want onze bewegingen vullen elkaar aan.
De Joodse beweging is net als de onze nationalistisch en niet imperialistisch. In Syrië is plaats genoeg voor beide". Lees hier het volledige akkoord tussen
Faisal en Weizmann.
Joden in kibboets omstreeks 1880, hier nog in typisch Arabische kledij om de Arabieren gunstig te stemmen
De verdeel- en heerspolitiek van de Britten in Palestina in de jaren voorafgaande aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog riepen het voorspelde verzet op
van zowel Joden als Arabieren. In 1937 kwam het zelfs zover dat de Palestijnse Arabieren, opgehitst door hun leider de Groot-Moeftie van Jeruzalem, Amin El Hoesseini,
voor de verdediging van hun belangen de hulp in te roepen van nazi-Duitsland. Met de oorlog voor de deur besloten de Britten om aan de eisen van de Palestijnse Arabieren tegemoet
te komen en wijzigden zij hun strategie tav van de Joodse immigratie en de problematiek van het verwerven van grond door Joodse immigranten.
Historicus Hein Steinen: " Het Joods Nationaal Fonds dat al die tijd in Palestina land van de Arabische grootgrondbezitters had opgekocht kon haar pallen voor verdere aankopen voorlopig opbergen. Nochtans waren die
aankopen juridisch volkomen legaal, maar hadden soms tot gevolg dat kleine Arabische boeren de door hen gepachte grond verloren en elders werk moesten zien te vinden.
Dat zette uiteraard kwaad bloed. Hoewel de door de Arabieren aan de Joden verkochte gronden vaak steenachtig, zanderig en moerassig waren en de bewerking meestal onder
erbarmelijke omstandigheden plaatsvond, lukte het de gemotiveerde jisjoev ze in cultuur te brengen. Door de inspanningen van de jisjoev werden de medische voorzieningen,
de hygiëne, de werkgelegenheid, de lonen, het onderwijs en de infrastructuur enorm verbeterd en dat had nadelige gevolgen voor het prestige van de Palestijns-Arabische
leiders. Bovendien bedreigde het door de jisjoev gepraktiseerde socialisme de eeuwenoude overheersende positie van de grootgrondbezitters tegenover de boeren. Het werk
van de Joodse pioniers bracht steeds meer welvaart in het verpauperde en achterlijke land en dat droeg ertoe bij dat tienduizenden Arabieren uit de voormalige
Ottomaanse provincie Syrie en uit Egypte zich in de nabijheid van de Joodse nederzettingen vestigden."
Afbeelding links: Malcolm MacDonald (1901-1980) Brits secretaris
voor Koloniale Zaken die op 17 mei 1939 het omstreden Witboek (White Paper) opstelde
In Duitsland had Adolf Hitler in 1933 intussen de macht gegrepen. Met zijn rassenwetten van 1935 en de Rijkskristallnacht van 9 november 1938 had Hitler de krijtlijnen
uitgetekend voor wat het Europese Jodendom te wachten stond. Net op het ogenblik dat miljoenen Europese Joden bedreigd werden met een onvoorstelbare genocide door de
nazi's, en velen het land nog bijtijds trachten uit te komen brachten de Britten op 9 mei 1939 hun antwoord op de nazi-dreiging in de vorm van het Witboek [ White Paper]
en sloegen aldus met een harde klap de deur van Palestina dicht voor de neus van alle Joodse vluchtelingen. Met het Witboek annuleerden zij de facto de Verklaring van Balfour die de Joden een 'national home'
in Palestina had beloofd. Het Witboek, in feite het MacDonald White Paper genoemd naar Malcolm MacDonald (1901-1980), was tussen 1931 en 1939 Secretaris voor
Britse Koloniale Zaken ( Dominion Affairs) en had in die functie het document opgesteld in opdracht van de Britse regering en waarin hij de onafhankelijkheid
van Palestina binnen 10 jaar in het vooruitzicht stelde en de Joodse immigratie beperkte.
Het Witboek bepaalde in eerste instantie (Sectie I v/h Witboek) dat Palestina zou worden verdeeld tussen Joden en Palestijnen en vertegenwoordigd worden evenredig met hun aantal. De zogenaamde
éénstaatoplossing. Daarnaast (Sectie II) werd bepaald dat voor de volgende vijf jaar 1940-1944 er zonder toestemming van de Palestijnse Arabieren maximaal 75.000 Joodse immigranten tot het Britse Mandaat Palestina zouden worden toegelaten. Daarna (vanaf de zomer van 1944) zou de Joodse
immigratie totaal afhankelijk worden van de instemming [sic] van de Arabische bewoners van Palestina. Het Witboek vermeldde daarnaast ook dat de Britten de oprichting
van een `nationaal tehuis voor het Joodse volk' [zie Balfourverklaring van 1917] als voltooid achtten en verdere grondaankopen door Joden in bijna het hele land
onmogelijk zouden maken (Sectie III). Hoofddoel van het witboek was kennelijk de Joden een minderheid in Palestina te laten blijven. Hein Steinen: " Toen het witboek bekend werd gemaakt, was
het Joodse inwoneraantal in Palestina ongeveer 450.000; daar kwamen door de Britse immigratiebeperkingen in vijf jaar tijd slechts 50.000 Joden bij. Ondanks de
anti-zionistische maatregelen die het witboek vermeldde, werd het door Hoesseini en zijn comité als onvoldoende verworpen. Zij wilden alleen de Joden die al voor
1917 in Palestina waren, als Palestijnen erkennen."
Het nieuws van de bepalingen zoals die in het Witboek werden vastgelegd sloeg in als een bom bij de Zionistische organisaties, het Joods Angentschap (Jewish Agency) en
Joods Nationaal Fonds. De Joodse immigranten die de ene kibboets na de anderen neerplantten om het verdorde land van Israël weer in cultuur te brengen, beseften dat
zij van de Britten niets meer hoefde te verwachten en gingen zich mobiliseren. Op dat moment werden in feite de kiemen van de Joodse staat gelegd. De Britten bleven in hun
boosheid volharden. Om de Arabische protesten tegen Joodse illegale immigratie te sussen hielden zij de invulling van de quota van 75.000 Joodse immigranten naar Palestina
zo lang mogelijk open. Tegen het einde van oktober 1943 (viereneenhalf jaar nadat het Witboek werd geïntroduceerd) bleken nog steeds 31.000 plaatsen (meer dan 40%!)
van de quota niet ingevuld.
Afb. rechts: Tel Aviv, 5 mei 1948. Minder dan twee weken
voor de Onafhankelijkheidsverklaring van Israël, marsheren strijders van de ondergrondse Haganah, fier door de straten van Tel Aviv
Ook na het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 en de wereld werd geconfronteerd met een wreedheid die vrijwel elk voorstellingsvermogen te boven ging, bleven
de Britten halsstarrig weigeren om Joodse immigranten omwille van hun invloed in het Midden-Oosten tot Palestina toe te laten. Ondanks de bekendmaking van de vele
gruwelen die zich tijdens het Derde Rijk hadden afgespeeld bleken er ook geen andere landen bereid de overlevenden van de grootste tragedie in de geschiedenis van de
mensheid op te nemen. Daarom begaven de nog levende wrakken uit de dodenkampen Treblinka, Majdanek, Belzec, Chelmno, Auschwitz en Sobibor zich op weg naar huis, naar Palestina.
Hein Steinen: " De jisjoev eiste voor hen vrije toegang tot Palestina, maar de Britten weigerden die en bleven de Joodse immigratie beperken.
Daarop besloot de jisjoev de immigratie op te voeren. Zij kocht zoveel mogelijk schepen op en in het geheim, vaak in het holst van de nacht, gingen de overlevenden
van de dodenkampen in kleine Middellandse Zeehavens in Frankrijk en Italië aan boord van oude, vaak zee-onwaardige boten met als einddoel het voor hen verboden Palestina.
Op schepen waar maar voor 400 mensen plaats was, werden meer dan 2000 vervoerd (uiteindelijk zouden op die manier 85.000 Joden illegaal naar Palestina worden
overgebracht). Na de Tweede Wereldoorlog was de Britse politiek ten aanzien van het Midden-Oosten er vooral op gericht voor de `Palestina-kwestie' een oplossing te vinden die voor
de Arabieren aanvaardbaar was. Een van de gevolgen van die politiek was, dat de Britten zich onverminderd bleven inspannen om de Joodse vluchtelingenstroom in te
dammen. Een speciale Britse eenheid (M16) kreeg zelfs opdracht in het geheim Joodse immigrantenschepen op te blazen, terwijl de Britse marine een blokkade voor de
Palestijnse kust legde. Zij enterde 47 immigrantenschepen en interneerde 65.000 opvarenden in kampen op Cyprus. Hoewel Amerika probeerde de Britten te bewegen de
Joodse vluchtelingen tot Palestina toe te laten, bleven de Britten weigeren (Struma- en Exodusaffaires).
Diep ontgoocheld besloot de jisjoev daarop de Britten te bestrijden met alle middelen die haar ten dienste stonden en ondanks de aanwezigheid van zo'n 100.000
Britse militairen in Palestina, kon de rust er niet meer worden gehandhaafd. De Onafhankelijke Staat Israël werd dankzij - of ondanks - de Britse onmenselijke
halsstarrigeid ten aan zien van het Joodse naoorlogse vluchtelingenprobleem daarmee in de hoogste versnelling geduwd. David Ben-Goerion, in die tijd één van de belangrijkste
leiders van de Haganah, samen met de radicalere Irgun van Menachem Begin voorlopers van het huidige Israëlische leger, verwoordde zijn verontwaardiging over
het Witboek aldus: " We zullen in Israël strijden tegen de witboeken alsof er geen Tweede Wereldoorlog bestaat en we zullen tegen Hitler vechten alsof er geen
witboeken bestaan." Zowel David Ben-Goerion als Menachem Begin zullen later eerste-minister van Israël worden.
Schepen naar de vrijheid
De vooruitzichten voor de Joodse bevolking van Roemenië op het einde van de jaren dertig en begin veertig waren extreem grimmig. De IJzeren Garde en anderen
vermoordden duizenden Joden en veroordeelden vele anderen tot slavenarbeid, honger en armoede. Velen mensen die ertoe in staat waren vluchtten naar meer gunstig gezinde landen.
Palestina, onder Brits bezetting en administratie, samen met de Volkerenbond liet hooguit aan 20.000 vluchtelingen toe zich te vestigen in het land. Groepen
jonge Roemeense Joden begonnen boten en schepen te zoeken om de overtocht naar het Beloofde Land van de vluchtelingen mogelijk te maken. Een riskante onderneming want
de meeste schepen werden geënterd door de Britten nog voor ze aan land raakten en de onfortuinlijke passagiers werden opgesloten in gevangenenkampen op Cyprus
of in met prikkeldraad afgespande kampen in Palestina.
Eén van de weinige Schepen naar de Vrijheid die werkelijk haar menselijke lading veilig aan de wal kon brengen was de SS Navemar, bijgenaamd
de SS Nevermore [sic]. Het Spaanse vrachtschip was eigenlijk uitgerust om slechts 28 passagiers te huisvesten. Uiteindelijk zouden er tegelijk ongeveer 1.120 Joodse
vluchtelingen de zeven weken durende overtocht vanuit het Spaanse Sevilla naar New York maken. Sommigen van hen hadden aan woekeraars wel 1.750 dollar gemaakt voor deze overtocht. Op de afbeelding hierboven kan je zien hoe de vluchtelingen op elkaar gepakt zelfs in de reddingsboten hun plek vinden. De omstandigheden op de SS Navemar
waren zo verschrikkelijk dan wanneer het schip in 1941 Cuba bereikte, Manuel Siegel van het Joint Relief Committee in Havana schreef aan de JDC dat "iedereen
lijkt met iedereen te vechten voor het voorrecht om te overleven. De relaties lijken meer dierlijk dan menselijk te zijn."
Victor Bienstock, een auteur die schreef voor het International Jewish Press Bureau, zette dit neer in zijn verslag: "Het was een regelrechte nachtmerrie -
Hollywood had dit spectakel goed kunnen gebruiken voor een nieuwe productie van Dante's Inferno. De grote, donkere holtes, torens van kooien die aan
alle kanten oprezen. Oude mannen en vrouwen, happend en snakkend naar lucht in de ondraaglijke hitte, liggen emotieloos in hun kooien, terwijl kinderen vechten en schreien.
Iedereen hongerig, iedereen dorstig, iedereen vuil en smerig... De kapiteins op de oude slavenschepen behandelden hun menselijke ladingen beter dan deze - en
dan te bedenken dat meer dan een half miljoen doorgangsgeld werd betaald voor dit schip..."
Afbeelding links: Een overzicht op het Britse gevangenenkamp op Cyprus waar 11.000 illegale Joodse immigranten werden vastgehouden. Joodse vluchtelingen
die naar Palestina trachten te ontkomen aan vervolging, werden door de Britten onderschept en opgesloten in met prikkeldraad en van wachttorens voorziene kampen op het eiland Cyprus. De laatste groep gevangen Joden zullen van de Britten pas op 10 februari
1949 het eiland weer mogen verlaten.
De overbevolking was zo gevaarlijk dat de Navemar de bijnaam kreeg van "een vlottend Gurs" te zijn, naam die verwees naar het concentratiekamp Gurs in het zuiden
van Frankrijk. Zes Joden stierven tijdens deze reis. Velen hadden hoge koorts als gevolg van voedselvergiftiging. De enige opluchting kwam toen de
Navemar, door de passagiers bijgenaamd de 'Nevermore', in 1941 eindelijk New York bereikte en zo een einde maken aan hun ellende.
Vele vluchtelingenschepen raakten nooit ver of werden gekelderd vooraleer ze de Palestijnse kust bereikten. Zoals het tragische verhaal van het Uruguaanse schip de
Salvador. Het schip had geen cabines noch slaapkooien, geen kompas, geen weer-instrumenten en geen reddingsvesten. Het was normaal voorzien voor vervoer van
30 tot 40 passagiers maar deze keer zaten er 327 vluchtelingen als sardines op elkaar gepakt. Wonderwel bereikte de Salvador Istamboel. Nadat het opnieuw uitvoer richting
Middellandse Zee om Palestina te bereiken, brak boven de Zee van Marmara een verschrikkelijke storm uit. De Salvador zonk op 15 december 1940 waarbij 204 vluchtelingen, onder
hen 66 kinderen, verdronken. Van de 123 overlevenden werden er 63 gedeporteerd naar Bulgarije.
Na de ramp met de Salvador noteerde het hoofd van de Vluchtelingenafdeling van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken, T.M. Snow, in zijn memorandum:
"Gezien vanuit de optiek van het stoppen van dit [Joodse vluchtelingen-] verkeer [naar Palestina] had er geen geschiktere ramp
kunnen plaatsvinden." Naar aanleiding van de ondergang van de Salvador benaderde Ankara Washington met een plan voor het op geordende wijze via Turkije
naar Palestina overbrengen van 300.000 Roemeense Joden. Ankara verwachttte (naar later bleek terecht) de komst van nog meer wrakke vluchtelingenschepen naar
Turkse wateren en nog meer scheepsrampen. Het hoofd van de afdeling Europa van het State Department, Cavendish W. Cannon, verwierp echter het Turkse voorstel, omdat
er voor de evacuatie onvoldoende schepen beschikbaar zouden zijn. Volgens Cannon was het plan bovendien strijdig met het Britse Witboek van 1939. Hij verwees ook naar
de te verwachten boze Arabische reactie op een Joodse exodus naar Palestina.
Afbeelding rechts: Een zoveelste
trieste episode uit de geschiedenis van het Jodendom: het Britse schip de H.M.S. Ajax heeft een vluchtelingenschip onderschept en afgeleid naar de kusten van Cyprus.
Onder bedreiging van de scheepskanonnen worden de illegale Joodse vluchtelingen ontscheept en opgesloten in de Britse speciale kampen op Cyprus.
Ongeveer 60 overlevenden van de Salvador mochten in Istamboel blijven waar ze werden opgepikt door een ander vluchtelingenschip de Dariën II.
Met 723 vluchtelingen aan boord verliet op 17 februari 1941 de Dariën II de Roemeense haven Constanta en zette koers naar Palestina en bereikte ei zo
na haar doel. Op 19 maart 1941 werd de Dariën II net voor de kust van Palestina geënterd door de Britse marine en haar opvarenden de volgende
achttien maanden geïnterneerd. Over de reis van de Darien II werd in april 2006 door Nachum & Erez Laufer een film gemaakt zie: The Darian Dilemma
Andere schepen zoals de Patria en de Mefkure waren evenzo trieste voorbeelden. De Mefkure was een opgevorderde gemotoriseerde schoener die Roemeense Joodse vluchtelingen naar Palestina bracht. Onder de vlag
van Turkije en van het Rode Kruis voer het in augustus '44 de Zwarte Zee op toen het op 5 augustus 1944 door de Sovjet-Russische onderzeeboot SC 215 werd getorpedeerd
en onmiddellijk zonk. 345 opvarenden verdronken. Overlevende drenkelingen werden in het water beschoten met machinegeweren. Slechts vijf passagiers en geen enkel
bemanningslid overleefden.
Het verhaal van de Patria is haast even tragisch als dat van de Struma. Op 1 november 1940 kregen drie schepen, de
Pacific, de Atlantic en de Milos, de opdracht om ongeveer 3.600 Joodse vluchtelingen afkomstig uit Wenen, Danzig en Praag naar Palestina te
varen. Voor de kust werden de schepen onderschept door de Britse Marine en de haven van Haïfa binnengesleept. Echter, van de Britse Hoge Commisaris voor Palestina,
Sir Harold Mac Michael, kregen zij geen toelating om zich te vestigen in Palestina. Op 20 november vaardigde MacMichael het bevel uit, dat de
vluchtelingen moesten gedeporteerd worden naar andere Britse overzeese kolonieën Mauritius of Trinidad. 1.770 vluchtelingen van de Pacific en de Milos
werden overgezet op de Patria. Van de Atlantic, die pas op 24 november was toegekomen, werden er eveneens 135 vluchtelingen op de Patria
overgezet.
Overlevende van de Patria Termina Hillel: "In Haïfa bleven we enkele dagen aan boord en opnieuw gingen de geruchten rond. Toen kregen we te horen dat de Britten van plan
waren ons naar Mauritius te deporteren. Dit was heel moeilijk te verdragen. We hadden er zo lang over gedaan om Eretz Israël te bereiken. We konden de lichten van Haïfa
zien. Maar ze wilden ons niet aan land laten. Voor de reis naar Mauritius werden we overgebracht op een ander schip. Dit was de Patria. Het was een prachtig
passagiersschip, maar opnieuw zat het schip wanhopig overvol. Niet alleen de ongeveer vijftienhonderd mensen van de Pacific waren aan boord, maar tevens alle
mensen van de Milos die ook was aangehouden. Uiteindelijk zaten we daar met zesendertighonderd mensen, een enorm aantal voor een schip van die afmetingen.
En toen bleven we opnieuw in de haven liggen wachten."
Afbeelding links: Palestina, 21 augustus 1939.
Aliyah Bet schip de Parita met 850 Joodse vluchtelingen uit Polen en Roemenië aan boord, strandde op een zandbank voor de kust van Tel Aviv. De Britten arresteerden alle passagiers
en interneerden hen in het gevangenenkamp Atlit (Palestina)
Uiteindelijk maakte het schip aanstalten om de haven van Haïfa uit te varen met aan boord ongeveer 1.904 Joodse vluchtelingen van de Patria. Intussen bereidden Joods-Palestijnse verzetsgroepen een sabotageactie voor om alsnog te beletten dat de Patria kon uitvaren. Op 24 november, net voor de afreis hadden
enkele leden van de Joodse ondergrondse Haganah, waaronder bommenlegger Munia Mandor, een bom aan boord geplaatst met het doel de besturing van het
schip onklaar te maken. De Haganah had zich echter misrekend in de kracht van de bom. Toen het schip op 25 november 1940 de haven uitvoer, explodeerde de bom met zo'n
kracht dat het schip binnen het kwartier onder water verdween.
Termina Hillel: "Op de dag van de explosie werd ik ziek
wakker. Ik herinner me dat ik een roze nachtjapon droeg met bloemetjes erop. Het was nog vroeg in de ochtend toen we de explosie hoorden en voelden. Ik lag nog in bed.
Vanuit mijn patrijspoort kon ik zien hoe mensen, de meesten jonge mensen, in het water sprongen. Het schip maakte al ernstig slagzij en binnen vijftien minuten lag
een kant - onze kant - volledig onder water. Wij waren toen al bezig met ons naar boven te werken door de hellende gang. Mijn vader verloor zijn houvast en gleed tot
aan zijn nek in het water. Hij riep naar mijn moeder, mijn zuster en mij dat we onszelf in veiligheid moesten brengen. We konden niets doen om hem te helpen. Terwijl
we voortklauterden, hoorde ik hem het Sherne Yisroel zeggen."
De meerderheid van de opvarenden werden gered door Britse en Arabische vaartuigen, maar voor 260 anderen -
het merendeel Joodse vluchtelingen - kwam alle hulp te laat en verdronken. 172 anderen werd licht tot zwaar verwond. 209 lichamen konden worden geborgen en werden begraven
op de Joodse begraafplaats van Haïfa. De meesten geredde schipbreukelingen van de Patria werden door de Britten geïnterneerd op het eiland Mauritius, zowat 3.000 kilometer
verder in de Indische Oceaan, vanwaar zij pas op 20 augustus 1945
kunnen terugkeren. Lange tijd bleef de aanslag op de Patria een mysterie tot dat in 1957 Munia Mandor zijn memoires
publiceerde en toegaf dat hij de bom had geplaatst. Niet de Irgoen maar de Haganah bleek verantwoordelijk voor deze aanslag, zodat dit mysterie van de ramp met de Patria eindelijk kon opgehelderd en
afgesloten worden.

17 juli 1939. Joods vluchtelingen aan boord van het Aliyah Bet schip de Atratto. Het schip werd door de Britten nabij de kust van Jaffa (Palestina)
geënterd en naar de haven van Haïfa gesleept.
Ruth Klüger en de Tiger Hill
Afbeelding links: Aliyah Bet ("illegale" immigratie) schip
"Tiger Hill," volgepakt met Joodse vluchtelingen uit Europa, land op 1 september 1939 op het strand van Tel Aviv (Palestina). Joodse ingezetenen
van Palestina wachtten hen op
Een ander memorabel en gewaagd voorbeeld van hoe verbeten Joodse vluchtelingen Palestina trachten te bereiken en tegelijk ook hoe brutaal en gewelddadig de Britten
te keer ging om koste wat het kost illegale immigratie te verhinderen, is het verhaal van de MS Tiger Hill, een voor de MS Struma erg inspirerende geschiedenis
om het twee jaar later na de Tiger Hill ook te proberen.
In 1939 hadden enkel agenten van de Israëlische Geheime Dienst (Mossad), Yosef Bar-Pal en Ruth Klüger, met financiële hulp
van de Joodse bankier George Mandel, het voormalige Griekse stoomschip de Zeinikos voor een eenmalige vaart naar Palestina gecharterd. Het
verwaarloosde schip, gebouwd in 1897 en 1.499 ton, werd in afwachting van de tocht opgelapt in de haven van Varna en herdoopt naar Tiger Hill. In Varna
gingen 54 Bulgaars-Joodse vluchtelingen aan boord en wanneer op 27 juni 1939 het schip wordt verlegd om verder uitgerust te worden naar de Roemeense haven van Brailla, kwamen nog
eens 45 vluchtelingen afkomstig uit Letland, Litouwen en Berlijn, die op eigen kracht Roemenië hadden bereikt en aan boord gingen.
Intussen had Groot-Brittannië als tegenprestatie voor een lening die aan Roemenië werd ingewilligd, van de Roemeense regering gevraagd om alle afvaarten vanuit
haar havens met Joodse vluchtelingen te verhinderen. Minister-president Armand Calinescu stemde in met het verzoek van de Britten en sloot de Roemeense
grenzen voor alle illegale immigranten. Dat gebeurde net op het ogenblik dat een groep van 501 Pools-Joodse vluchtelingen die door Yulik Braginski in
Warschau was samengesteld en op de Tiger Hill zouden inschepen de Pools-Roemeense grens bereikte. Maar dat was buiten de onvoorstelbare moed en durf van de
toen 25-jarige geheimagente Ruth 'Aliav' Klüger gerekend.
Ruth Klüger (1906-1980) ook bekend als Ruth Klieger en Ruth Aliav, en kreeg van de Mossad de geheime codenamen 'Hanom'
en 'Hamoavia' mee. Geboren in 1914 in Chernovitz, Roemenië, studeerde zij af aan de Universiteit van Wenen, beheerste vloeiend negen talen, en trok na haar huwelijk met haar
echtgenoot in 1936 naar Israël. In 1939 trad ze toe tot de Mossad en werd naar Roemenië gezonden. Zij werd aldus het enige vrouwelijke lid van de Mossad Alijah Bet. Niet te verwarren
met de beroemde schrijfster met dezelfde naam, Ruth Krüger geb. 1931 en die over haar gevangenschap in KZ Theresienstadt enkele ophefmakende boeken publiceerde.
Ruth Klüger slaagde er wonderwel in om het personeel van het treinstation aan de grens om te kopen en spoorde met haar omvangrijke groep vluchtelingen per trein naar de havenstad Constanta waar de
Tiger Hill inmiddels aangemeerd lag. Samen met de Poolse groep klommen nog eens 158 vluchtelingen aan boord, die al geruime tijd op de wachtlijst stonden van de Joodse gemeente van Boekarest.
De Tiger Hill met haar 729 passagiers aan boord lag klaar om uit te varen maar botste daarbij op de nieuwe instructies van minister-president Calinescu
en de afvaart leek op een fiasco uit te lopen. Opnieuw moest er onderhandeld worden. Met de steun van George Mandel raakte Ruth Klüger tot bij de minister
van Binnenlandse Zaken Gheorghe Tatarescu en zelfs tot bij de Koning Karol van Roemenië om zo tot bij de minister van Buitenlandse Zaken Gregore Gafencu te geraken
die uiteindelijk ingreep zodat de Tiger Hill met haar 729 vluchtelingen de haven van Constanta op 3 augustus 1939 mocht uitvaren, uitgewuifd door Ruth Küger
die nog maar aan het begin van haar heroïsch werk stond.
Voor het aan land brengen van de vluchtelingen in Palestina was de Tiger Hill uitgerust met drie motorboten en had ook nog een kleiner vaartuig op sleep. De eerste
landing moest evenwel afgebroken worden en de Tiger Hill besloot aan te meren in de haven van Beiroet. Hier nam het schip de uit quarantaine vrijgelaten
vluchtelingen over van de Frossoula. Met thans 1.417 vluchtelingen aan boord bereikte de Tiger Hill op 1 september 1939, dezelfde dag dat Duitsland Polen binnenviel en het begin
van de Tweede Wereldoorlog inluidde, de kust van Palestina. Nadat de Griekse kapitein en zijn bemanning van boord gingen, stuurde het schip met thans aan het roer
de dappere Levi Schwartz naar de kust van Tel Aviv.
Op ongeveer een halve zeemijl van het strand stootte het schip op de Britse patrouilleboot de Lorna die onmiddellijk het vuur opende op de Tiger Hill. Hierbij
vielen twee doden waaronder de Joodse vluchteling Hans Schneider, die het eerste slachtoffer werd van het conflict. Levi Schwartz was niet erg onder de indruk.
Elk stopsignaal negerend en onder een kogelregen afgevuurd met mitrailleurs vanaf de Lorna, voer hij recht op het strand af en zette de Tiger Hill op het strand van Sukria nabij Tel Aviv aan de grond.
Leden van de 'Haganah' hadden intussen duizenden van de inwoners gemobiliseerd om de landing te ondersteunen. Zij slaagden er in om 300 vluchtelingen aan land te brengen
vooraleer de Britten tussenbeide kwamen. Het overgrote deel van de vluchtelingen werd voor de duur van de oorlog opgesloten in speciale Britse interneringskampen
in de buurt van Haïfa. De laatsen van hen zullen pas vrijgekomen in mei 1948 nadat de onafhankelijkheid van de staat Israël een feit werd.
Afbeelding links: Wellicht de grootste heldin van de Staat Israël: Ruth 'Aliav' Klüger.
Chef van de Mossad van de Balkanlanden, hier met haar moeder.
Ruth Klüger zal nog vele jaren blijven doorgaan met haar activiteiten. Na haar echtscheiding in 1940 ontving zij in juni 1941 nieuwe instructies van de Mossad en werd zij overgeplaatst naar de Egyptische hoofdstad
Kaïro. Van hieruit kreeg ze de opdracht om fondsen te verzamelen en smokkelden zij Joden naar Palestina vanuit Egypte, Libanon en Syrië. Klüger ging verder met haar werk
in Egypte tot 1944 wanneer ze door Ben Goerion naar Frankrijk wordt gezonden om als eerste afgevaardigde in Europa de belangen van de Joden van Palestina te verdedigen.
Het was trouwens ook Ben Goerion die Ruth haar bedacht met haar hebreeuwse familienaam 'Aliav'. Alhoewel
op dat ogenblik de staat Israël nog moest worden gesticht, werd de Lady of the Mossad, zoals Ruth Klüger in eigen rangen werd genoemd, was zij lange tijd alleen in Europa
om de zaak van de Joodse staat te bepleiten. In Parijs noemde ze haar Lady Israël, jaren voordat de staat werd gesticht.
In 1945 in Parijs kon ze een onderhoud
verkrijgen met generaal Dwight D. Eisenhower, de toekomstige president van de V.S. Eisenhower bracht haar in contact met een van zijn stafleden, kolonel Ernest Witte,
die haar van dan af hielp bij het overbrengen van Joodse vluchtelingen naar Palestina. Kolonel Witte verhief Ruth Krüger in de ere-rang van kolonel in het Amerikaanse
leger en gaf haar onbeperkte bevoegdheid om reispassen uit te geven. Witte deed nog veel meer dan dat. In oktober 1945 bood hij Klüger een schip aan, de M/S Ascania, waarmee zij
ongeveer 2.600 Joodse kinderen, waarvan de meesten wezen waren rn overlevenden van de nazi-concentratiekampen, vanuit Marseille in Zuid-Frankrijk naar Palestina bracht. Onder Britse druk, mocht zij met de
M/S Ascania geen verdere trips meer ondernemen.
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog zette Ruth Klüger zich verder in om zogenaamde 'displaced persons' vanuit Oost-Europa te helpen naar Palestina te bereiken, via de zogeheten Bricha route
voor illegale immigratie naar het Beloofde Land. De Mossad werkte verder samen met andere organisaties om overlevenden van de Shoah het land binnen te smokkelen.
Velen van deze schepen werden door de Britten onderschept en de vluchtelingen opgesloten in speciale kampen op Cyprus, Mauritius of in Palestina. In 1948, werd zij
de public relations manager van de Palestijnse zeevaartmaatschappij ZIM. Opgericht in 1947 was dit bedrijf begonnen met het smokkelen van overlevenden van de Shoah
naar Palestina met het schip de Kedmah, die het 'Eerste Hebreeuwse Schip' werd genoemd, omdat dit het eerste schip was dat onder Palestijnse vlag voer.
In 1947 onderscheidde Generaal Charles De Gaulle haar met het Croix de la Lorraine en nam haar op in het Legion d’Honneur als erkenning en beloning
voor haar activiteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog en haar nauwe banden met de Nederlandse en Franse verzetsbewegingen. In 1978 schreef Ruth Klüger haar belevenissen neer in 'The Last Escape' en 'The Secret Ship'. Tot aan
haar dood (zij overleed in 1979 aan kanker) bleef Ruth 'Aliav' Klüger de wereld afreizen om fondsen te verzamen voor haar vluchtelingenwerk.
Bronnen: hier klikken
LEES HET VERVOLG OP :
Deel 4: Wat we (niet) deden toen de Joden stierven. [4] Laatste vaart van de M/S Struma hier klikken
LEES OOK :
Deel 1: Wat we (niet) deden toen de Joden stierven. [1] Vluchtelingenbeleid hier klikken
Deel 2: Wat we (niet) deden toen de Joden stierven. [2] De SS St.Louis hier klikken
Deel 3: Wat we (niet) deden toen de Joden stierven. [3] Ruth Klüger en de SS Tiger Hill hier klikken
|