Het dramatische verhaal van de M/S Struma is wellicht één van de minst gekende en
vergeten tragedies die zich afspeelden op zee in de marge van de Shoah tijdens de Tweede Wereldoorlog. Minstens twee landen, Groot-Brittannië en Turkije, hebben alle kansen om het leven van bijna 800 Joodse vluchtelingen
te redden toen ze daartoe de kans kregen, naast zich neergelegd. Om uiteenlopende redenen verkozen ze zich af te keren van het onvermijdelijke noodlot dat deze Joden ongetwijfeld te wachten
stond. Eind 1941 zaten bijna 800 als sardines opeengepakte Roemeens-Joods vluchtelingen op de oude roestige M/S Struma op de vlucht voor vervolging vanuit de Roemeense havenstad Constanta via de haven van Istamboel (Turkije) richting Palestina. In Istamboel aangekomen werd het schip in quarantaine geplaatst en werd er meer dan 70 dagen lang diplomatiek gepalaverd tussen Britten,
Turken, Roemenen, Amerikanen en de rest van de wereld. De uitkomst van dit zielig diplomatiek overleg liet zich spoedig raden: terug naar Constanta... terug naar AF!
Op 23 februari 1942 werd de Struma, die al die tijd in de haven van Istamboel aan de ketting lag en haar menselijke vracht al die tijd en op eigen houtje het maar moest zien te redden en overleven, geënterd door de
Turkse politie en zonder pardon terug naar de Zwarte Zee gesleept. Totaal aan haar lot overgelaten, zonder anker, met een kapotte motor en zonder zeil, dobberde de Struma op
zowat 15 kilometer buiten de Turkse territoriale wateren, urenlang stuurloos rond, slechts hopend op een mirakel dat nooit zou komen. Nauwelijks 12 uren later ontdekte
een Russische onderzeeboot de Struma, lanceerde één enkele torpedo naar het schip dat in één klap explodeerde en op enkele minuten tijd in de golven van de Zwarte Zee verdween. Slechts één enkele
mens, David Stoliar, kon zich lang genoeg drijvende houden door zich vast te klampen aan een stuk wrakhout en overleefde deze menselijke catastrofe.
Een triest hoogtepunt van hoe de Westerse vrije landen reageerden op de Jodenvervolging toen die stilaan op kruissnelheid kwam....
De Struma vaart uit
In 1941 werd met het Bulgaarse schip de MS Struma geadverteerd in Roemeense kranten (zie afbeelding) als een geschikt schip om de overtocht naar Palestina
('alijah') te maken. Om de hoge taksen te betalen die door de eigenaars van het schip werden gevraagd alsmede om de ontelbare corrupte ambtenaren in Roemenië om te kopen, moesten er zoveel mogelijk mensen aan boord
worden gebracht. De prijs per persoon lag omgerekend naar onze tijd op ongeveer 850 euro, een reusachtig bedrag voor de grote meerderheid vluchtelingen die al in de jaren
voordien kompleet leeggeschud waren en totaal financieel en materieel aan de grond zaten sinds al hun bezittingen geconfisceerd werden door de Roemeense
marionettenregering.
Tegen het ogenblik dat de tijd kwam om af te reizen naar de havenstad Constanta, gelegen aan de Roemeense kust van de Zwarte Zee, hadden bijna 800 mensen een ticket
kunnen bemachtigen voor de overtocht. Onder hen ook David Soliar, de enige overlevende van de ramp met de Struma:
"In de zomer van 1939 gebood mijn vader me om terug te keren naar Boekarest omwille van de toenemende oorlogsdreiging. Ik nam één
van de laatste treinen Parijs-Boekarest net voor de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ik vervolgde mijn studies aan de hogeschool - Liceul Matei Basarab - in Boekarest tot ik er
in 1940 werd uitgegooid omwille van mijn Joodse afkomst. Alle Joden werden uit de Roemeense scholen geband. De Joodse Gemeenschap van Boekarest opende noodgedwongen
haar eigen school (Liceul Cultura) waar ik mij inschreef. Niet voor lang echter want tegen het einde van 1940 werd ik opgepakt om dwangarbeid te verrichten in het
kamp van Poligon. Mijn vader haalde me daar weer weg nadat hij een ticket voor de Struma kon bemachtigen door enkele ambtenaren om te kopen. Mijn moeder bleef in Parijs.
In 1942 werd zij door de Franse autoriteiten gearresteerd en opgesloten in het doorgangskamp Drancy nabij Parijs. Korte tijd later werd ze gedeporteerd met een 1000-tal
andere Joden, Konvooi nr 42, naar KZ Auschwitz-Birkenau waar ze werd vermoord."
Afb. links: 1 januari 1948. De Kibbutz Galuyot (de voormalige Pan York), een omgebouwd bananenschip, was typisch voor de leefomstandigheden voor dergelijke
Aliyah Bet schepen. 7.800 passagiers als garnalen bij elkaar beneden- en bovendeks op elkaar gedrumd. Verluchtingspijpen moesten verkoeling brengen naar de benedendekse
menselijke lading. Het bovendek werd voorbehouden aan kleine kinderen en babies omdat benedendeks de lucht er stonk en vreselijk ongezond leek.
De Kibbutz Galuyot maakte twee van deze reizen. Eén van deze reizen begon in Burgas, Bulgarije, waar het overwegend Roemeense overlevenden van de Shoah aan boord nam
en hen - in akkoord met de Britten - direct naar het eiland Cyprus vervoerde. Tegen die tijd hadden de Britten reeds hun vertrek uit Palestina aangekondigd. Het schip
werd nadien ingezet door de ZIM scheepvaartmaatschappij (van Ruth Klüger!) onder de naam M/S Atzmaut en werd aldus één van de eerste handelsschepen gecontroleerd door de Palestijnse Joden
van het toekomstige Israël
Velen maakten de reis per spoor vanuit de Roemeense hoofdstad Boekarest waar ze door militanten van de fascistische Roemeense IJzeren Garde in veewagens werden geperst. Na een tergend langzame
reis met onderweg vele stops en controles, zonder eten noch drinken noch sanitair, bereikten ze na twee à drie dagen eindelijk de haven van Constanta, waar ze een
troosteloze blik wierpen naar de Struma die aangemeerd lag aan de kade. De Struma bleek een oud klein roestig vrachtschip van nauwelijks 57,1 meter lengte, 7,7 meter breedte
en 1,1 meter diepgang. Oorspronkelijk heette het schip de Cornelia en later de Macedonia. Het werd gebouwd in 1880 in New Castle. Het werd verschillende keren omgebouwd om uiteindelijk in 1934
aan een bedrijf in Bulgarije te worden verkocht. De motor was vervangen door een te licht model en er bevonden zich ook geen reddingssloepen aan boord. In feite
bleek het een weinig zeewaardige drijvende doodskist.
Daar kwam nog bij dat in de Zwarte Zee de Sovjet-Russische onderzeevloot voortdurend patrouilleerde en bijna dagelijks schepen naar de bodem kelderde. Geen denkbeeldig
gevaar zoals later nog zal blijken! Immers een half jaar eerder - 22 juni 1941 - was Operatie Barbarossa (de inval in Rusland) van start gelopen en hadden verschillende
Europese landen zich aangesloten bij nazi-Duitsland, de zogeheten Asmogendheden. Enkele Aslanden lagen aan de Zwarte Zee ondermeer Roemenië en Bulgarije. Turkije zal
neutraal blijven en speelbal worden van de Brits-Amerikaans-Russische diplomatieke betrekkingen die noodgedwongen geallieerde landen werden in hun strijd tegen
nazi-Duitsland.
Door de beperkte ruimte op het schip en het overtal aan passagiers, moesten de vluchtelingen hun bagage strippen tot maximaal 10 kilogram per persoon. Bergen bagage,
kleren en allerhande moesten noodgedwongen achterblijven achter op de kade. Roemeense ambtenaren doorzochten de bagage op waardevolle zaken en fouilleerden de
passagiers. Eens aan boord moesten ze beneden- of bovendeks een plaats zoeken in één van de stapelkooien die soms 8 of 10 kooien hoog waren. Op het hele schip bevond
zich maar één kraan met een beperkte hoeveelheid vers water en nauwelijks sanitair: er was maar één badkamer aan boord voor alle passagiers en geen keuken.
Net voor het schip zou vertrekken kwam de Roemeense havenpolitie nog een laatste keer aan boord, nam alle koperen kookpotten mee en verving ze door metalen potten
en pannen...
Aldus verliet een overvolle en zwaar overladen Struma, varende onder Panamese vlag, in de nacht van 11 op 12 december 1941 de haven van Constanta en koos het ruime sop
naar Palestina. Aan boord 770 wanhopige Joodse vluchtelingen en tien Bulgaarse bemanningsleden met aan het hoofd de Bulgaarse kapitein G.T. Gorbatenko.
De motor van de Struma was klein, erg oud en slecht onderhouden. Nauwelijks enkele kilometers buiten de haven sputterde de motor een paar keer en viel stil. Roerloos
dobberde het schip uren rond op zee terwijl de bemanning tevergeefs trachtte de motor weer aan de praat te krijgen.
David Stoliar (º1922, Kishinev,
Bessarabië / thans Moldavië) - afb. links in 1942 - , getuigde later over de afvaart van de Struma uit Constanta: " Het was nacht toen wij Constanta verlieten. We werden de haven uitgetrokken door een sleepboot, een Roemeense sleepboot, en eens zij ons tot in open water hadden
gesleept, maakten ze zich los, keerden om en verdwenen uit het zicht. Daarna trachtten we de motor te starten, wat ons veel, erg veel moeite koste om de motor op gang te krijgen. Die deed
'pop, pop, pop...' en stopte opnieuw. Hoedanook, ik denk dat we de ganse nacht aan de motor hebben gewerkt, maar de motor wilde niet meer starten. Dan begreep ik
dat we een SOS moesten uitzenden want het schip dobberde stuurloos rond op zee. De kapitein zond herhaaldelijk een SOS uit. Pas de volgende dag kwam er reactie
en zagen we een sleepboot, dezelfde sleepboot die ons de haven had uitgetrokken, weer opdagen.
De boot was weergekeerd en we vroegen hen of zij de motor konden herstellen zodat die weer kon opstarten. Zij probeerden en probeerden maar en vertelden ons dat
repareren veel geld zou kosten. We legden hen uit dat we geen geld meer hadden want dat de Roemeense havenautoriteiten onze laatste centen hadden afgenomen. Dan stelden
we hen voor om onze trouwringen te geven die de douaniers ons mirakuleus gelaten hadden. Ik had er geen maar in ieder geval bleken velen hun ring nog te hebben. Aldus
verzamelden we alle trouwringen van de mensen en overhandigden ze aan de bemanning van de sleepboot.
Daarna zetten ze zich weer aan de motor, rommelden wat aan de motor, probeerden die tevergeefs weer aan de praat te krijgen. Ze keken ons weer aan en stelden ons twee
nieuwe voorwaarden vooraleer ze ons verder zouden helpen: Als we ze genoeg geld gaven, zouden ze ons voortslepen tot we in Turkse wateren kwamen, iets wat ongeveer een dag zou duren. 'Maar als we niet
genoeg geld hadden', zeiden ze 'ok, we zullen trachten de motor te herstellen, we blijven naast jullie varen tot we in internationale wateren komen, dichter bij Turkije.
Eens in Turkse wateren, laten we jullie daar dan achter.' Uiteindelijk kregen ze toch de motor gestart en vaarden we richting Turkije. De sleepboot vaarde een tijd
lang naast ons en keerde op bepaald ogenblik om en verdween."
Met een hoestende en onregelmatig sputterende motor baandde de Struma zich langzaam haar weg naar Turkije, waarbij het de hele tijd dicht bij de kust bleef varen,
uit schrik voor Russische onderzeeboten. De Struma werd aanvankelijk begeleid door een Roemeense patrouilleboot tot het buiten de Roemeense territoriale
wateren was. David Soliar: " Tijdens de tocht naar Istamboel konden we ons eerst en vooral nauwelijks bewegen, want ons werd verteld dat, weet je, omdat
wanneer er teveel mensen waren aan één kant van het dek, het schip in gevaar kan komen. Dus, eerst en vooral, wilden zij dat we ons zo weinig mogelijk verplaatsten
en ook, als we aan dek mochten gaan voor enkele uurtjes, we ook moesten trachten het schip in balans te houden door niet van de ene kant van het dek
naar de andere kant te rennen. Zo moesten een aantal mensen plaats nemen aan de linker kant en een ander deel aan de rechterkant en dan langzaam varen. Met andere
woorden, de mogelijkheid bestond dat het schip uit balans ging als we te veel bewogen. De omstandigheden waren dus zo dat je zoveel mogelijk in je eigen kooi
bleef liggen zonder te bewegen. Zo was er dan ook geen mogelijkheid om wat dan ook op te kuisen, of wat water te drinken, laat staan je te wassen ofzo. Naarmate
de tijd verstreek werd de toestand natuurlijk steeds maar erger."
Na vier dagen bereikte de Struma de ingang van de Bosporus waar een groot mijnenveld in zee was gelegd en de toegang tot de Zee van Marmara versperde. Een Turkse
sleepboot wachtte het schip op en sleepte de Struma veilig de haven van Istamboel binnen. Hier kon het lange wachten beginnen op de verdere ontwikkelingen...
en hopen... of ze verder mochten varen naar Palestina of... op wat dan ook, zolang ze maar niet hoefden terug te keren naar Roemenië...
Het lange wachten
Afbeelding rechts: Jeruzalem, 1938. Sir Harold MacMichael,
de Hoge Britse Commisaris voor Palestina samen met Generaal Wavell en zijn 'Black Watch' troepen
Nadat de Struma op 16 december 1941 had aangelegd in de haven van Istamboel en prompt aan de ketting werd gelegd, werd het voor de volgende twee maanden in quarantaine
geplaatst zodat voor de ganse duur niemand op of af het schip mocht. Een eindeloze discussie kon beginnen tussen de Turkse en de Britse autoriteiten over hoe het nu
verder moest met dit schip volgepakt met Joodse vluchtelingen. Diezelfde dag dat de Struma aanlegde in Istamboel sprak de Duitse gouverneur van het Generaal-Gouvernement,
de jurist SS-Obergruppenführer Hans Frank in een kabinetsberaad: "Heren, ik moet u vragen alle gevoelens van medelijden aan de kant te zetten. Wij moeten de Joden uitroeien op alle plaatsen
waar wij ze aantrefFen en waar dat mogelijk is. [...] Wij hebben nu ongeveer 2,5 miljoen Joden [in het bezette Polen], niet half-Joden en a11es wat daarvoor doorgaat,
misschien wel 3,5 miljoen. We kunnen deze 3,5 miljoen Joden niet doodschieten of vergiftigen, maar wij zullen er niettemin in slagen om maatregelen te treffen die op
de één of andere manier tot hun uitroeiing zullen leiden."
Het Britse Koloniaal Bureau werd in die jaren geleid door Sir Harold MacMichael (1882 - 1969), die van 1938 tot 1944 de functie van Hoge Commissaris
voor het Britse Mandaatgebied Palestina uitoefende. Sir MacMichael weigerde resoluut om de vluchtelingen toe te laten tot Palestina omdat ze geen inreisvisa konden
voorleggen [sic]. Hij voerde daarmee eigenzinnig de politieke besluiten uit van de Britse regering, geformuleerd in Britse premier Winston Churchill's
Witboek (White Paper) van 17 mei 1939, dat strikt bepaalde immigratiequota hanteerde, illegale immigratie naar Palestina verbood en
sanctioneerde met terugdrijving of internering als gevolg. Zie ook: Britse politiek tav de Joden voor, tijdens en na WOII
De Turkse autoriteiten weigerden de vluchtelingen van boord te laten gaan en over land naar Palestina te reizen zolang zij geen zekerheid kregen van de Britten
dat zij het Britse Mandaat binnen mochten. Tevergeefs trachtten zij Harold MacMichael te overtuigen. Ondanks de talloze debatten die over deze kwestie in het
Britse parlement werden gevoerd en de toenemende druk van Joodse gemeenschappen over de ganse wereld, bleven de Britten onwrikbaar in hun besluit: de Joden mochten
in geen geval Palestina binnen. De Turken van hun kant weigerden om op eigen houtje asiel te verlenen aan nog meer Joodse vluchtelingen. Zij trachtten tijdens de
Tweede Wereldoorlog hun neutraliteit te bewaren en wilden nazi-Duitsland niet provoceren. Ze beweerden dat ze over te weinig middelen en voedsel beschikten om nog
meer vluchtelingen te herbergen. Aldus bleef de Struma eenenzeventig dagen lang aangemeerd in een uithoek van de haven van Istamboel vruchteloos wachten
op een oplossing. De motor van het schip werd intussen gedemonteerd en aan land gebracht voor reparatie, nadat inspecteurs hadden vastgesteld dat die inderdaad
onbruikbaar was.
De toestand aan boord van het schip verslechterde zienderogen. Door de locale Joodse gemeenschap werden van alle goederen en voedsel verzameld en met mondjesmaat
aan boord gebracht. Er was geen water aan boord om zich te wassen, een doordringende stank van menselijke uitwerpselen hing over het schip, er was nauwelijks
wat te eten en amper vers voedsel, het dieet bestond voor het grootste deel uit beschuiten en heel af en toe wat fruit. Het was verbazend dat er geen ziektes
uitbraken op het schip. De passagiers mochten slechts één uur aan dek komen om een verse hap lucht te nemen, gezien het groot aantal passagiers en de beperkte
ruimte op het kleine schip.
Intussen liet de toelating van de Britten om af te monsteren maar op zich wachten en met een motor die niet meer functioneerde kon de kapitein van het schip en zijn bemanning
niet veel meer doen dan tijdelijk in de situatie te berusten en wachten op nieuwe ontwikkelingen. Het lange wachten bleek voor sommige passagiers na verloop van
tijd behoorlijk zwaar te worden. Sommigen van hen, totaal uitgehongerd en van ontbering, raakten totaal buiten zinnen. Radeloos en door het dolle heen raasden ze doorheen
het schip en over dek. Intussen mochten acht mensen van boord en aan land. Een gezin van vier, de Segall's, kon zich in veiligheid brengen, dankzij de bemiddeling van
Vehbi Koc, die een invloedrijk zakenman was in Turkije. Drie anderen, Israel Frenck-Dinari, zijn echtgenote Tina en David Frenck alsook zijn
schoonbroer Theodor Brettschneider, hadden een weliswaar verlopen maar geldig visa voor Palestina bij zich. Hen werd door de Turken toegestaan om over land naar Palestina te reizen.
De laatste die van boord mocht was een zwangere vrouw, Medea Salamovitz (Salmovici) - afb. rechts - (geboren Marcovici in 1919 in Boekarest), die net voor haar afreis naar
Constanta een miskraam had gekregen en aan boord complicaties ondervond. Zij mocht van de Turkse havenautoriteiten voor verzorging worden opgenomen in het Joodse hospitaal
Or-Haim in Balat te Istamboel en ontkwam aldus de ramp met de Struma. Haar echtgenoot Nezu Salmovici moest achterblijven op het schip en ging zijn noodlot tegemoet. Na verzorging
werd Medea opgenomen door de locale Joodse gemeenschap. In de chaotische sfeer en wereldwijde verontwaardiging en tumult dat onmiddellijk na het einde van de Struma [sic]
was ontstaan, werd aan Medea door het Joodse Agentschap een immigratievisa bezorgd en mocht zij Palestina binnen reizen. Zij zal haar intrek nemen in de
kibboets “Beit Hahalutzot” nabij Tel Aviv en leerde het beroep van diamantsnijder. Enkele jaren na het einde van de oorlog later zal zij een buitenlandse goed
bemiddelde zakenman treffen, hertrouwen en Israël verlaten om zich in Parijs te vestigen waar zij in 1996 zal overlijden.
Het tragische einde van de Struma

Door de omstandigheden gedwongen bleef de Struma aldus tien weken in quarantaine voor anker liggen in de haven van Istamboel. Aan boord bleven nog 769 Joodse
vluchtelingen achter. Het grootste deel van hen was afkomstig uit Boekovina en Bessarabië, uit het kleinere deel van het oud-Roemeense gebied. De ironie van het lot
wil dat intussen in Londen ernstige onderhandelingen bezig waren omtrent het lot van Hongaarse in het algemeen en Roemeense Joodse kinderen in
het bijzonder. De Jewish Agency stipuleerde dat de kinderen op de Struma gekwalificeerd werden om in aanmerking te komen om naar
Eretz Yisrael te emigreren. Op 15 februari 1942, negen dagen voordat de Struma werd uitgedreven door de Turken, kondigden de Britten aan dat een uitzondering kon worden
gemaakt voor de kinderen - in de leeftijd tot 16 jaar - die zich op de Struma bevonden, bij uitzondering asiel voor Palestina zou worden verleend. Bericht van Angora
aan Jeruzalem van 17 februari 1942: " I have informed the Turkish Government decision to admit children. Assistant Secretary-General at
the Ministry of Foreign Affairs stated that they could not allow children to travel overland through Turkey; if the ship can be sent to Istanbul they can be transferred
to it; otherwise they must remain on the Struma."
Al de anderen aan boord werden uitgesloten omdat zij niet voldeden aan de eisen van de Britse regering. Aldus een menselijke klok stellende aan zijn goedwillendheid, drukte
Harold MacMichael nogmaals uit dat hij hoedanook " niet de vreselijke verantwoordelijkheid op zich wilde nemen om te kiezen welke van
de passagiers zouden worden toegelaten, afhankelijk van hun leeftijd." De Jewish Agency maakte meteen voorbereidingen om de kinderen op te vangen
en enkele dagen later waren zij zover, zelfs als het de jongere dan toegelaten kinderen betrof. Terzelfdertijd, 20 februari 1942, riep de Jewish Agency op
om tot een besluit te komen omtrent de volwassenen, wijzend op het feit dat de Amerikaanse afdeling van de JDC alle opvang voor de volwassenen van de Struma-Joden reeds
had geregeld.
Op 22 februari, na weken van wachten, hoop en vertwijfeling, bereikte de vluchtelingen een telegram dat hen terug blij en hoopvol stemde. Rabbijn Stephen Samuel Wise (1874-1949),
de Amerikaanse voorzitter van de Zionistische beweging in New York, schreef in zijn telegram dat hij erin geslaagd was om 2000 bijkomende inreisvisa voor Palestina te verkrijgen en dat er een deel
voor de vluchtelingen op de Struma werd voorbehouden.
Echter de volgende dag, 23 februari 1942 en eenenzeventig dagen later nadat ze vanuit Constanta waren vertrokken, kwam de dramatische anticlimax. De Turken hadden er
opeens genoeg van gekregen. De Turkse politie overmeesterden het schip, uiteraard zonder veel tegenstand van de al zo verzwakte groep vluchtelingen. Meteen brak
er paniek uit op het schip. De politie gooiden het anker en de trossen los en sneden de aanleglijnen door. Ofschoon kapitein Gorbatenko protesteerde dat de Struma niet zeewaardig
was, werd het schip naar de open zee gesleept. De mensen die langs de kust van de Zwarte Zee het trieste schouwspel gadesloegen, lazen op grote spandoeken, die
door de passagiers waren gemaakt en opgespannen werden over de scheepsromp, hun noodkreet zowel in het Hebreeuws als in het Engels: " REDT ONS!" ('save us!'). Het hulpgeroep van de passagiers werd luid gehoord
door de bewoners aan de kusten langs de Bosporus, maar niks mocht nog baten, de Struma bleek ten dode opgeschreven.
Afb. links: Laatste brief van één van de opvarenden van de STRUMA, gedateerd 'Istamboel, 5 januari 1942 - Aan boord van de Struma'. KLIK op de afbeelding voor een leesbare vergroting
Op ongeveer 10 tot 15 kilometer buiten de kust, werd de Struma met haar menselijke vracht verder aan haar lot overgelaten. Wellicht zonder motor (die nog in reparatie
zou zijn geweest op het vasteland), zonder anker noch zeil, zonder water of eten voor de onfortuinlijke passagiers, dobberde het schip stuurloos rond in de wind,
overgelaten aan de getijden. Intussen werden, onmiddellijk nadat de Struma was vertrokken, de plaatselijke Britse ambtenaren door de regering in Londen gemachtigd
om aan zeventig kinderen van de Struma verblijfscertificaten voor Palestina uit te reiken en konden de kinderen van boord gehaald en gered worden. Helaas kwam dit
politieke compromis veel te laat! Voor de zoveelste maal had de Westerse diplomatie m.b.t. de nazi's en hun bondgenoten gefaald...
Bij het eerste ochtendgloren van de 24ste februari 1942 werd de Struma opgemerkt door een Sovjet-Russische onderzeeboot, die onder het
commando stond van de Kapitein-Luitenant Denežko en Politiek Commisaris A.G. Rodimatzav. De onderzeeër kwam naar de oppervlakte, de commandant
observeerde met zijn kijker kort het vaartuig, zag abusievelijk [?] het schip voor een transportvaartuig van de asmogendheden aan en besloot om de Struma te kelderen. Vanop
ruim een kilometer afstand van het schip lanceerde de onderzeeër één enkele torpedo die het schip midscheeps raakte. De Struma explodeerde en zonk
op slechts enkele minuten naar de bodem van de Zwarte Zee. De kapitein noteerde die dag in zijn logboek: " The Shch-213 submarine ... encountered on the morning
of 24.2.1942 an unprotected enemy vessel Struma ... The ship was successfully torpedoed from a distance of [1,118 meters] and sunk ... Junior officers ... Unit
Commander and non-commissioned officers ... and the Red Fleet sailor who fired the torpedo ... have shown courage." [Sovjet Militair Archief]
David Stoliar over dat fatale moment: " Omtrent de torpedo, die heb ik helemaal niet zien aankomen. In de vroege morgen van 24 februari
lag ik nog in mijn kooi te slapen. De volgende ochtend werd ik wakker in het water. De Bulgaarse onderkapitein Ivanof Dikof vertelde me toen: 'Ik was aan dek toen ik plotseling
het spoor van een torpedo doorheen het water opmerkte. Ik rende naar de cabine van de kapitein en toen ik de deur opende explodeerde het schip. Door de explosie werd
ik in de lucht gegooid, terwijl mijn hand nog steeds de deurknop omklemde. Ik gebruikte de deur om me drijvende te houden in het water'. We praatten, we zongen
en riepen tot de kleinste uren want we waren bang dat we in slaap zouden dommelen en zouden bevriezen. Echter, de officier kon niet tegen de koude en in de morgen
constateerde ik dat hij gestorven was en ik de enige was die het overleefd had.[..]"
Afbeelding rechts: Kaïro (Egypte) in 1945, krantenartikel
uit de Sunday Times. David Stoliar als sergeant-majoor bij het Britse leger. Foto boven in zijn kantoor in Kaïro en onder in het huwelijksbootje
De dodenbalans was verschrikkelijk: 103 kinderen, 269 vrouwen en 406 mannen stierven die nacht... Het verschrikkelijkste aan de hele ondergang van
de Struma was het feit dat na de explosie aanvankelijk honderden passagiers het overleefden. Ze klampten zich wanhopig, zwevend tussen leven en dood, vast aan elk wrakstuk
dat voorbij dreef. Al die tijd hoorde Stoliar verschrikkelijke kreten om hulp. In de verte kon Stoliar de kustlijn zien maar geen hulp in
zicht. Geen enkele reddingsboot daagde op alhoewel de explosie vanaf de kust toch goed te horen moest zijn geweest. De uren liepen langzaam voorbij, mensen bevroren
en gingen één na één kopje onder en verdronken. Honderden lijken dreven in het rond maar Stoliar overleefde. De volgende ochtend, ruim 20 uren nadat de Struma was
gezonken, was nog één man in leven, zich wanhopig vastklampend aan een stuk wrakhout. Hij werd ontdekt en uit het water geplukt door Turkse matrozen in een roeiboot die vanuit een
vuurtoren alles gezien hadden.
Stoliar werd onder bewaking overgebracht naar een ziekenhuis in Shila waar hij twee dagen werd verzorgd. Intussen werd hij dag en nacht door politiemensen bewaakt. Op de 3de
dag werd hij overgebracht naar het politiekantoor van Uskudar nabij Istamboel waar hij op de rooster werd gelegd. Nadien werd Stoliar met een ziekenwagen naar het ziekenhuis
Hidad Pascha vervoerd waar hij veertien dagen onder permamente politiebewaking langzaam kon herstellen van de ontberingen. Tevergeefs trachtte hij contact te maken
met de buitenwereld. Na twee weken werd hij opnieuw ondervraagd door de Turkse Geheime Politie, gefotgrafeerd van alle zijden en kreeg zelfs een gevangenisnummer mee: 704. Lange
tijd werd hij ermee bedreigd om samen met andere illegalen die in Trukse gevangenissen verbleven, terug naar Roemenië te worden gezonden. Ondanks zijn zwakke
gezondheidstoestand werd hij twee maanden opgesloten in een Turkse gevangenis.
Uiteindelijk werd kwam hij vrij met de hulp van de voorzitter van de locale Joodse gemeenschap, Simon Brod, die enkele corrupte politieambtenaren had
omgekocht. Wel op voorwaarde dat hij Turkije zou verlaten. Simon Brod had voor hem alsnog een emigratievisa voor Palestina kunnen bemachtigen. Op 23 april 1942 kwam
Stoliar eindelijk vrij en met de verdere hulp van de Jewish Agency nam hij de trein naar Syrië van waar uit hij zijn reis vervolgde naar Haïfa waar hij
zich eind april 1942 aanmeldde bij het locale politiekantoor.
Tijdens het daarop volgende jaar nam hij dienst in het Britse leger en werd gedetacheerd in Kaïro (Egypte) waar hij het tot sergeant-majoor bracht. Hij werd verscheidene keren onderscheiden
in de oorlogen in Egypte en Lybië. In 1945 trad hij in Kaïro in het huwelijksbootje en keerde na het einde van de oorlog terug naar Palestina. In 1948 nam hij als soldaat
deel aan de Onafhankelijkheidsoorlog van Israël. Hij verbleef in Israël tot 1954, tot wanneer hij een belangrijke positie verwierf bij een oliemaatschappij in Japan.
Tegenwoordig leeft de kranige tachtiger in Bend, een stadje in de Amerikaanse staat Oregon.

Gelijkaardige Sovjet-Russische onderzeeboot die de Struma torpedeerde: de Shchuka-215 in de Zwarte Zee
te verschrikkelijk voor woorden...
Afb. rechts: aanplakbiljet van de ondergrondse IRGUN 'gezocht voor moord: Harold
MacMichael': Sir Harold MacMichael, known as High Commissioner for Palestina. Wanted for Murder of 800 refugees in the Black Sea / MacMichael werd verantwoordelijk geacht
voor de moord op 800 Joodse vluchtelingen die verdronken in de Zwarte Zee
Nadat het nieuws van de tot zinken gebrachte Struma in de Zwarte Zee overal bekend raakte, ging er even een korte schok door de wereld. Hevige reacties in Engeland
en de Verenigde Staten bleef niet lang uit. De Britse regering bleef echter onbewogen bij deze menselijke catastrofe. In het Britse Lagerhuis leidde de ondergang
van de Struma tot hevige debatten en werd Sir Harold MacMichael het vuur aan de schenen gelegd. Vraag van Lord Josiah Wedgwood aan Lord Cecil op 26 februari 1942:
"May I ask the noble Lord whether he is not as sure as I am that the bomb which destroyed the “Struma” was the last
hope of the unfortunate refugees to save them from being handed back to Hitler? And may I ask him whether he does not think that the blood of these people is on
our hands?" Sir Harold MacMichael bleef hardnekkig zijn immigratiebeleid tav de Joden verdedigen: "Het ligt niet in ons
vermogen garanties te geven of maatregelen te treffen waardoor de huidige politiek inzake de onwettige immigratie in het gedrang zou komen."
De minister van koloniën Lord Cranborne zei tot die Engelsen die die bewogen werden door deze tragedie: "Bij de ongelukkige wereldsituatie van nu
is het tot op zekere hoogte onvermijdelijk dat wij afgestompt raken voor gruwelijke dingen." Conclusie van een verbitterde Lord Wedgwood in het Britse Lagerhuis: "De Joodse vrijheid en de Britse belangen zijn gesaboteerd omdat het cryptofascisme in het
Midden-Oosten heert en zich in Whitehall schuilhoudt. Ze houden niet van Joden, willen van de Joden geen gebruik maken, weigeren de Balfour Declaration (van 1917 dat de Joden
een Nationaal Tehuis beloofde) te aanvaarden en zijn vastbesloten deze te niet te doen. Ze laten liever de Joden met de Struma ten onder gaan dan hen in Palestina toe te laten. Zo ver gaat hun haat. Ik hoop de
dag te beleven waarop degenen die de Struma naar de nazi's terug lieten gaan zullen hangen, als eens met Haman gebeurde, zij aan zij met hun voorbeeld en leider
Adolf Hitler."
En in Duitsland schreef de Duitse Minister van Buitenlandse zaken Von Ribbentrop in een brief van 28 april 1942 aan Groot-Moefti van Palestina Amin Al-Hoesseini: "[..]
Duitsland staat mitsdien klaar voor het verlenen van haar steun aan de onderdrukte Arabische volken in hurt strijd tegen Britse overheersing, voor de vervulling van
hun nationale doel om onafhankelijkheid en soevereiniteit te verwerven, en voor de vernietiging van het Joods Nationaal Huis in Palestina.[..]" Na de verpletterende overwinning van de Britten op het Duitse Afrikakorps bij El Alamein van 4 november 1942, is het gevaar van een Duitse bezetting van Palestina geweken. Gefrustreerd door die onverwachte
nederlaag van 'woestijnvos' Erwin Rommel krijgt Groot-Moefti Amin Al-Hoesseini de kans om via de Duitse wereldomroep om in Arabisch-talige uitzendingen de Arabieren
op te roepen de Joden in Noord-Afrika en Palestina te vermoorden: "Kom in opstand, o zonen van Arabie! Vecht voor jullie heilige
rechten. Slacht de Joden af waar je ze kunt vinden. Hun vergoten bloed pleziert Allah [en is goed voor] onze geschiedenis en onze religie."
Afb. links: Avraham Stern, oprichter van de Joodse ondergrondse Lechi,
die op 12 februari 1942 - nauwelijks twee weken voor de ondergang van de Struma - door Britse commando's in zijn schuilplaats in Tel Aviv werd geliquideerd. De Lechi had
als doel het Brits Mandaat over Palestina met geweld te beëindigen, de beperkingen op Joodse immigratie op te heffen en de oprichting van een Joodse staat te
verwezenlijken. De Britse autoriteiten noemden de groep de Stern Group of Stern Gang, naar hun eerste leider Avraham Stern
Later klonk het dat, sinds de vluchtelingenstroom vooral afkomstig was uit de Asmogendheden (de landen die zich geallieerd hadden met Duitsland waaronder ook Roemenië en Bulgarije), de kans bestond dat
er zich tussen de vluchtelingen nazispionnen konden bevinden die de veiligheid van de staat bedreigden. Ook de Sovjets zullen later beweren dat de Struma-opvarenden nazi-agenten waren die
trachtten te infiltreren in het Midden-Oosten. Nooit werden er - noch door de Britten of de Sovjets - dergelijke agenten gevonden en ook nooit werd door de Britten bewijzen
op tafel gelegd dat ze zouden bestaan hebben.
Een andere uitleg was dan weer dat er zich te weinig voorraden in Palestina bevonden om al die asielzoekers te voeden. Intussen
besloot het Britse kabinet op 5 maart 1942 (nauwelijks 10 dagen na de ondergang van de Struma) "dat alle mogelijke maatregelen moeten
worden getroffen om illegale immigratie in Palestina te ontmoedigen." Ook in de Verenigde Staten was het protest groot. Nobelprijswinnaar Albert Einstein zei deze tragedie
"strikes at the heart of civilization" (raakt het hart van de beschaving) en Eleanor Roosevelt, de echtgenote van de Amerikaanse President,
vroeg zich luidop af waarom technische futiliteiten deze vluchtelingen buiten Palestina hielden terwijl de belachelijk lage quota zoals die in de White Paper
waren vastgelegd niet eens ingevuld raakten. "het is te verschrikkelijk voor woorden!, besloot Mev. Roosevelt.
Voor de Joodse ondergrondse bewegingen in Palestina zelf was het duidelijk dat de Britse Hoge Commissaris, Sir Harold MacMichael, de hoofdschuldige was voor dit drama.
Overal in Palestina werd door IRGUN de poster verspreid 'Wanted for Murder of 800 refugees in the Black Sea: Sir Harold MacMichael, known as High Commissioner for Palestina'. MacMichael
en andere Britse bestuurders werden het doelwit van een lange reeks niet-geslaagde kidnap-pogingen door de Etzel en van aanslagen door andere Joodse ondergrondse bewegingen zoals de
Haganah, Lechi en Irgun. Zo werd in november 1944 in Caïro Lord Moyne, de Britse minister en zaakgelastigde voor het Midden-Oosten, door de Lechi
(Lohamei Herut Jisraëel, Strijders voor de Vrijheid van Israël) op straat doodgeschoten.
Ook op Harold Mac Michael werden verschillende aanslagen gepleegd en
dat zelfs lang nà het einde van de oorlog. Bij één van die moordaanslagen werd MacMichael ernstig gewond.
Hierna werd hij naar Brits Malaya (thans deel van Maleisië) gezonden, waar hij betrokken was bij de vorming van de Unie van Malaya. Zijn laatste jaren als koloniaal bestuurder bracht MacMichael
door in Malta.
Nasleep

Afbeelding links: Krantenartikel van 8 januari 1978 met als titel: "Geheime documenten bevestigen: Engeland zond de Joden van de Struma de dood in".
Klik op de afbeelding voor een leesbare vergroting
De torpedering van de Struma bleef jarenlang voor controversie zorgen. Begin 1978 raakten nieuwe geheime Britse documenten in de openbaarheid. Tot dan hadden de Britten
de verantwoordelijkheid, voor het terug in open zee slepen van de zeeonwaardige Struma met de gekende tragische afloop, altijd bij de Turken gelegd. Uit de documenten bleek
dat het wel degelijk de Britten waren die druk hadden uitgeoefend op de Turkse regering om het schip terug naar de haven Constanta in Roemenië te zenden.
Sir Hugh Knatchbull-Hugessen , die sinds 1939 Brits ambassadeur was in Turkije en zijn kantoor hield in Ankara, had de regering in Londen aanbevolen om de ruim 750 vluchtelingen op de Struma op basis van
humanitaire gronden toe te laten in Palestina. Zijn advies stuitte echter op het veto van de fel antisemitische Sir Harold MacMichael en Lord Moyne voor Midden-Oosten zaken.
Lord Moyne op 24 december 1941: "We have good reasons to believe that this traffic is favoured by the Gestapo and the Security Services attach the very greatest importance to preventing the influx
of Nazi agents under the cloak of refugees. As to Knatchbull-Hugessen’s humanitarian feelings about sending the refugees back to the Black Sea countries it seems to
me these might apply with equal force to the tens of thousands of Jews who remain behind and who are most eager to join them. (…) to urge that Turkish authorities
should be asked to send the ship back to the Black Sea, as they originally proposed."
Eén van diens ambtenaren op het ministerie van koloniën schreef in een veelzeggend memorandum over het advies van Sir Hugh Knatchbull-Hugessen: "Voor de eerste maal
vertoont de Turkse regering een teken van bereidwilligheid om aan de verhindering van illegale immigratie naar Palestina mee te werken, en nu komt die 'boodschapper' en
verpest alles, zogenaamd op basis van humanitaire gronden, die op een verbluffend gebrek van zijn oordeelkunde wijzen." Een andere ambtenaar van het koloniaal
bureau merkte schamper op dat: "Sir Hugh (Knatchbull-Hugessen) een uitstekende gelegenheid had verknoeid om 'this people' (deze mensen)
in Istamboel op te houden en ze terug naar Constanta te sturen." Uiteindelijk bezweken de Turken op de eisen van het Brits ministerie van
koloniale zaken en sleepten de Struma terug naar de Zwarte Zee...
David Stoliar (afb. rechts), de enige die de ondergang op zee van de Struma overleefde, gelooft nog steeds in een samenzwering van de drie betrokken landen: Engeland, Turkije en de Sovjet-Unie.
In een email aan Hasim Surel van 11 augustus 2005 schrijft hij dat er teveel 'toevalligheden' rondom het einde van de Struma samenvielen:
"My personal believe is that the British Colonial Office in London decided to eliminate Struma to avoid this vessel with nearly 800 refugees
and crew reaching Palestine. I think the Colonial Office arranged with their allies Soviet Union to send the vessel to the bottom of the Black Sea. Soviet Union had
sufficient submarines in the Black Sea to comply with UK request. Turkey, although neutral, accommodated UK by following their instructions. It cannot be proven that
there was a conspiracy."
Zo bijvoorbeeld dat London reeds op 17 februari 1942 de autoriteiten in Istamboel sommeerde om de Struma in open zee te drijven, terug naar AF.
Die uitdrijving werd een week uitgesteld omdat de Sovjet-Russische onderzeeboot ShCh-213 nog niet in positie lag in de straat van de Bosporus. Ook vreemd, volgens Stoliar,
is het feit dat de Sovjet-onderzeeër erin slaagde zich tussen de Struma en de Turkse kust te wringen en van daaruit de fatale topedo op het schip afvuurde. Dit om
de Turken in diskrediet te brengen als zou de Struma door de Turken zijn gekelderd vanaf de kust. Stoliar werd na zijn redding op zee opgesloten in een cel op de
hoogste verdieping van het hoofdkantoor van de politie in Istamboel. Onder het voorwensel dat hij geen visa had voor Turkije werd hij aldus zes weken lang opgesloten gehouden en
regelmatig verhoord. Niettegenstaande dat terzelfdertijd dat andere Joodse vluchtelingen die vervolging in Europa waren ontvlucht en Istamboel bereikten, eveneens zonder visa
toch in hotels mochten logeren en niet in gevangenissen.
Op de vraag of hij na zovele jaren nog wraakgevoelens koestert jegens de Turkse staat antwoordde Stoliar ontkennend: "De tragedie met de
Struma heeft nooit mijn mening over Turkije gewijzigd. Sinds het incident heb ik Turkije nog drie maal bezocht, een laatste keer in oktober 2004.
Ik ben er nog steeds van overtuigd dat ik mijn leven te danken heb aan één Turkse man in het bijzonder, Simon Brod, die me over de volle 71 dagen dat het
schip in quarantaine lag in de haven van Istamboel, met voortdurend voorzag van water en eten. Ook toen ik in de gevangenis zat opgesloten, had hij ervoor gezorgd
dat een nabijgelegen restaurant me elke dag voedsel leverde in de gevangeniscel. Na mijn vrijlating bezorgde hij mij een treinticket naar Aleppo (Istalië)
en bracht me naar het treinstation."
In een interview dat hij in 2003 aan Haaretz weggaf, bevestigde David Stoliar dat het niet in zijn bedoeling ligt om de tragedie van de Struma te blijven herdenken,
maar aan de andere kant kan hij maar niet vatten hoe deze catastrofe zovele jaren in de vergetelheid bleef: "Het heeft een heel lange
tijd geduurd vooraleer de mensen zich realiseerden dat de Struma een betekenisvol deel van onze geschiedenis is."
Monument in Ashdod, Israël, ter nagedachtenis aan de 769 Joodse vluchtelingen die omkwamen op 24 februari 1942
toen hun schip de STRUMA op de Zwarte Zee werd getorpedeerd
door een Sovjet-Russische onderzeeboot
Bronnen
Bronnen uit de literatuur (eigen verzameling):
De Nederlandstalige werken bevinden zich op deze website en zijn eenvoudig aanklikbaar
• Death on the Black Sea: The Untold Story of the Struma and World War II's Holocaust at Sea...; Douglas Frantz en Catherine Collins; Harper & Collins Publishers, februari 2003; ISBN 978 0066212623; 352 bladzijden
• De kern van de zaak. Feiten en achtergronden van het Arabisch-Israëlisch Conflict (Wim Kortenoeven)
• The last escape;: The launching of the largest secret rescue movement of all time; Ruth Aliav; Uitgevrij Doubleday; 1973; 518 bladzijden; ISBN 978-0385003131
• Ongewenste gasten - Joodse vluchtelingen en migranten in de dertiger jaren (Frank Caestecker)
• De geur van melk en honing. De wording van Israël (Ben Wicks)
• Van Avraham tot Ben-Gurion. Geschiedenis van het Joodse volk (Hein Steinen)
• De Bijbel en het Zwaard. De Britse opmars naar het Beloofde Land (Barbara Tuchman)
• Britain and the Jews of Europe, 1939-1945; Bernard Wasserstein; Clarendon Press, Londen; 1979, deze 2de uitgave oktober 1999 Casell; 352 bladzijden; ISBN 978-0718501822
• Vluchtelingenbeleid in de naoorlogse periode (Frank Caestecker)
• Terwijl de zes miljoen stierven (Arthur D. Morse)
• The Four-Front War. From the Holocaust to the Promised Land; William R. Perl; Crown Publishers Inc. New York; 1979; 376 bladzijden; ISBN 0517538377
• Operation action: Rescue from the Holocaust; William R. Perl; F. Ungar Pub. Co; 1983; 414 bladzijden; ISBN 0804466459
• The Holocaust Conspiracy: An International Policy of Genocide; William R. Perl; Shapolsky Publishers; 1990; 213 bladzijden; ISBN 0944007244
• Het gruwelijke geheim - De waarheid over Hitlers "Endlösung" verdrongen (Walter Laqueur)
• Abandonment of the Jews - America and the Holocaust 1941-1945; David S. Wyman; Pantheon Books New York; 1984; 445 bladzijden; ISBN 0 394 42813 7
• The Myth of Rescue. Why the democracies could not haved saved more Jews from the Nazi's; William D. Rubinstein; Routledge London and New York; 1997; 267 bladzijden; ISBN 0 415 12455 7
• The World Must Know: The History of the Holocaust as Told in United States Holocaust Memorial Museum; Michael Berenbaum; The Johns Hopkins University Press; 2005; 260 bladzijden; ISBN 0 8018 8358 X
• Daders, slachtoffers, omstanders. De Joodse catastrofe 1933-1945 (Raoul Hilberg)
• Atlas of the Holocaust; Martin Gilbert; J.M. Dent Ltd, Londen; 1988, deze 2de editie 1993; 283 bladzijden; ISBN 0 460 86172 7
• The Arab-Israeli Conflict, Its History in Maps; Martin Gilbert; Uitgeverij Weidenfeld and Nicholson, Londen; 1974, deze 2de herwerkte editie 1976; 109 bladzijden; ISBN 0 297 77241 4
• De vernietiging van de Europese Joden - 3 delen (Raul Hilberg)
• Nazi-Duitsland en de Joden. Delen 1 en 2 (Saul Friedländer)
• Genocide. De Joden in Europa 1939-1945 (Ward Rutherford)
• De reis der verdoemden (Gordon Thomas & Max Morgan-Witts)
• Uitgebreide bibliotheek en documentatie over de Geschiedenis van Israël, de Joden en van het Israëlisch-Arabisch conflict Verzet.org
• Exodus. De odyssee van een commandant (Yoram Kaniuk)
• De vacante troon van Pilatus. Hoe Joden naar Palestina kwamen (1897-1917) (Jeannick Vangansbeke)
• Opkomst en Ondergang van het Derde Rijk - 2 delig (William L. Shirer)
• Hitler. Deel 1 (Hoogmoed 1889-1936) & Deel 2 (Vergelding 1936-1945) (Ian Kershaw)
Bronnen op het internet:
• The Struma: The Boat That Never Made It (By Jennifer Rosenberg)
• The Struma Project
• Chronik des Seekrieges 1939-1945 (Jürgen Rohwer)
• JÜDISCHE FLÜCHTLINGSSCHIFFE IM SCHWARZEN MEER (1934-1944) (Jürgen Rohwer)
• S T R U M A T R A G E D Y (ISRO-Press Agency)
• David Stoliar (Wikipedia)
• Struma
• Struma (Yad Vashem)
• Struma: A Romanian Tragedy
• In Search of The Struma (Greg Mossfeldt)
• USHMM: David Stoliar Witnesses
• The Struma & The unmitigated policy of the British against Jewish refugees fleeing Hitler's war against them
• History of the Jews in Romania
• Jewish Romania
• History of Romania
• IJzeren Garde (Wikipedia.nl)
• Ion Antonescu (1882-1946) (Historiek.net)
• History of Moldova
• I Survived the 20th Century Holocaust (Holocaust Survivors and Remembrance Project: "Forget You Not")
• The Romanian Holocaust
• Surviving the Romanian Holocaust (Romanian Jewish Community)
• Romanian Jewish Community
• THE STRUMA TRAGEDY an illegal immigration nightmare
• Shimon Rubinstein's Struma Site
• The Struma Tragedy (By Ayhan Ozer Published in The Turkish Times Feb, 1992)
• The Story of Medeea Salmovici (Marcovici)
• David Stoliar’s Testimony
• David Stoliar interview
• Bound for nowhere (Jeff King 2004)
• White Paper of 1939 (From Wikipedia, the free encyclopedia)
• British Mandate of Palestine (From Wikipedia, the free encyclopedia)
• Jews in Cyprus
• Patria disaster (From Wikipedia, the free encyclopedia)
• A DOOMED JOURNEY (by Sarah-Honig)
• "LECHI" (FIGHTERS FOR THE FREEDOM OF ISRAEL)
• WERE BRITAIN AND TURKEY RESPONSIBLE FOR THE STRUMA TRAGEDY? (PDF-dossier door Hasim Surel)
• The Struma 779 left to die
• THE STRUMA TRAGEDY IN ITS 50TH ANNIVERSARY (The Turkish Times Feb, 1992)
• Cyprus internment camps (From Wikipedia, the free encyclopedia)
• Aliya Bet (Ha'apala)
• The British, the Jewish Detention Camps and the Cyprus Story (Pseka)
• Pictorial History: Rescue Fleet is Launched (Aliyah Bet & Machal Virtual Museum)
• Ruth Klüger and the Mossad le Aliyah Bet
• History of the Aliyah Bet (By Elihu Bergman)
• Ruth Klieger Aliav / The Darian Dillemma
• Jewish Agency for Israel
• MMHTN - Muzeul Memorial al Holocaustului din Transilvania de Nord
• The Survival of the Romanian Jews
|