De Belgische Anti-maçonnieke Liga. Deel 2: de Bezetting
Wednesday 29 March 2006

 

 

 

 

De Belgische Anti-maçonnieke Liga

Dat de Rexisten en de Vlaamsnationalisten dezelfde anti-maçonnieke stellingen van de Duitsers klakkeloos overnamen, en in hun zog zovele gematigden zich eveneens op sleeptouw lieten nemen door dit onzinnige amalgaam, en samen met hen konden zeggen: "contre les bolcheviques, contre les juifs, contre les francs-maçons: même combat", werd de vrijmetselarij tijdens de Tweede Wereldoorlog bijna fataal.

Nadat de Militarverwaltung onder Edgard Reeder zich in Brussel had geïinstalleerd, brak een nieuwe periode aan voor de anti-vrijmetselarij om hun strijd met nieuwe en vrijwel onbeperkte middelen te hervatten. In het najaar van 1940 staken vijf mannen de hoofden bij elkaar en richtten de Belgische Anti-maçonnieke Liga L'Epuration-De Bezem op. Met uitzondering van de rexist en oud-piloot Charles Gillis de Sart-Tilman (1897-1977), die de voornaamste informant was geweest van de anti-maçonnieke campagne in La Libre Belgique en die in het Verzet ging, verzeilden alle bestrijders van de vrijmetselarij in de collaboratie.

De Brusselse advocaat en rexist Léopold Flament wist Louis Nelis, een advocaat aan het Hof van Beroep in Brussel met zich mee te trekken. Ook André de Harting was geen onbekende bij de nazi's, de oud-exploitant van het casino in Blankenberge, was in dienst van de Abwehr en al sinds 1938 informant voor de Duitse ambassade te Brussel. De Hasseltse likeurstoker Henri Ponet, schoonbroer van Ouwerx en rexist dokter Paul Ouwerx ontketenden met hernieuwde ijver en gedreven door hun vooroorlogse afkeer voor de vrijmetselarij een nieuwe heksenjacht. Andere leden die de A.L. vervoegden waren Gustaaf Van Nuffel, ingenieur Joris Desbonnet, Marcel de Calon, Georges Tailleur en Henri Derouane.

In tegenstelling tot de vroegere eerste twee anti-maçonnieke verenigingen, was deze derde versie er een die opgericht werd met de medewerking en onder impuls van de Duitse Sicherheitsdienst (SD). Op 27 juli 1940 werd de SIPO-SD officieel te Brussel geïnstalleerd. Eerste chef werd SS-Obersturmbannführer Dr. Hasselbacher, maar deze kwam om bij een verkeersongeval op 13 september 1940 en werd opgevolgd door SS-Standartenführer Constantin Canaris. Een jaar later werd Canaris vervangen door SS-Sturmbannführer Ernst Ehlers, maar Canaris nam in maart 1944 zijn ambt weer op tot aan de bevrijding.

Op 12 september 1940 hadden Dr. Paul Ouwerx en Jean Flament een onderhoud met SD-chef Dr. Hasselbacher, op het SD-hoofdkwartier te Brussel. Fier overhandigde Jean Flament een lijst van 38 namen en organisaties die rechtstreeks of onrechtstreeks met de vrijmetselarij te maken hadden. Flament en Ouwerx kregen van de SS licht op groen en stelden op 20 september 1940 de statuten op van hun nieuwe organisatie die op 14 februari 1941 verschenen in het Belgisch Staatsblad. Paul Ouwerx werd voorzitter, Jean Flament secretaris-generaal, Nelis commisaris en Henri Ponet Vlaamse secretaris.

Vanaf februari 1941 pakte de A.L. uit met twee anti-maçonnieke tijdschriften. Voor het franstalig landsgedeelte werd dat Le Rempart met Louis Nelis als hoofdredacteur. Van Le Rempart zullen er tussen februari 1941 en december 1942 negentien nummers verschijnen tot het werd opgedoekt. Voor de Nederlandstaligen werd De Burcht uitgegeven onder hoofdredactie van Joris Desbonnet. De Burcht veranderde in augustus 1940 haar naam in De Volkswacht.

Van bij het begin was er voortdurend anti-maçonnieke competitie met Volksverweering van René Lambrichts die beiden elkaar het alleenrecht op de anti-maçonnieke stijd betwistten. Er bestond niet enkel ruzie tussen de Liga en Volksverwering maar ook met Léon Degrelles Rex.

In de zomer van 1940 had Léon Degrelle zowat alle 'bewijzen', die het judeo-maçonnieke complot moesten aantonen, bij elkaar gebracht. Degrelle die op last van de Belgische regering op 10 mei 1940 werd opgepakt, en samen met zo'n 3000 staatsgevaarlijke landgenoten van allerhande pluimage, naar Frankrijk werd afgevoerd, verdacht de vrijmetselarij er zelfs van verantwoordelijk te zijn voor het bloedbad te Abbeville waar naast Joris Van Severen ook twintig anderen Belgen waren omgebracht.

Degrelle hierover: "Rex, adversaire de toutes les internationales qui minaient secrètement le pays, s'était dressé souvent et viollement contre ces mafias souterraines qui avaient, autant que les marxistes et les juifs, poussé à la guerre européenne en 1939. Les loges avaient été tout particulièrement responsable de mon arrestation du 10 mai, de celles de milliers de mes camarades, de la mort horrible des vingt et un martyrs d' Abbeville."

Degrelle 'vergat' er echter wel bij te vermelden dat naast extreemrechtse kopstukken er op 10 mei veel meer joden en communisten werden afgevoerd naar Frankrijk dan dat er Nieuwe Orde-leden tussen zaten (sic.) Op 24 november 1940 deed Degrelle er in zijn blad Le Pays Réel nog een schep bovenop: "La Franc-maçonnerie n'est pas seulement une loge, des loges, mais une cabale, des cabales, un complot permanent. Les Rotary Clubs et autres clubs de ce genre, aux buts apparemment si innoncents, si philanthropiques, et si idéalistes, ne sont pas autre chose que des institutions maçonniques."

Ook de Vlaamse collaboratiepers moeide zich in de anti-maçonnerie. In navolging van de anti-maçonnieke actie van 1938-39 door La Libre Belgique ging het echter deze keer nier meer over ontmaskeren alleen maar met de bedoeling de vrijmetselarij te elimineren. In juni 1940 ging Volk en Staat van het VNV voluit de anti-semitische en anti-maçonnieke koers in.

Op 14 juni sloot het VNV het nationaal-socialisme in de armen met de woorden: "De Duitsche zege is ook de Vlaamsche zege." In juni schreef de krant: "dat het kapitalisme, de partijpolitiek en de vrijmetselarij verantwoordelijk waren voor de decadentie van de 'Oude Orde'." Volk en Staat verweet de vrijmetselarij dat zij door haar filantropische opstelling ieder nationaal gevoel vergiftigd had. Vanaf februari 1941 was het VNV nog maar nauwelijks geïnteresseerd in de anti-maçonnieke actie.

In juni 1941 waren de legers van het Derde Rijk Rusland binnengevallen en concentreerde het VNV en Staf de Clercq zich vooral op de aanwerving voor het Vlaams Legioen en later voor de Vlaamse vrijwilligers voor de Waffen-SS. Staf de Clercq: "De samenzwering van de oude wereld van jodendom, van plutokratie en bolsjewisme (die) thans duidelijk is. Ook Sowjet-Rusland heeft het masker afgeworpen en bedreigt de Europese beschaving. Het gaat hier om de redding van Europa en de redding van het Christendom [..]. Ook ons bestaan als volk staat op het spel."

Dat de Duitsers in de Vlaamse soldaten slechts geïnteresseerd waren als kanonnenvoer en in het geheim de ver-Duitsing van Vlaanderen voorbereidde en Vlaanderen de facto als de zoveelste provincie van het Derde Rijk wilde annexeren, had het VNV op dat ogenblik nog niet helemaal door (sic), dat zou pas later komen als het kalf al verdronken was en het VNV zich hopeloos aan de collaboratie met nazi-Duitsland had verbrand.

Uiteindelijk onstonden er ook spanningen tussen de bestuursleden van de Liga onderling. In de loop van 1941 wisselde de samenstelling van het bestuur voortdurend. Eerst werd Jean Flament de laan uitgestuurd, daarna Desbonnet en Van Nuffel en de laatste twee bekenden, Nelis en Ponnet, werden op 18 september 1941 uit de Liga gestoten.

 

 

 

 

De Anti-maçonnieke tentoonstelling

Intussen werd het Belgische kroonstuk van de anti-maçonnieke actie voorbereid: De Anti-maçonnieke tentoonstelling. Die beruchte tentoonstelling zal tussen 30 januari 1941 en 31 mei 1942 het hele land afreizen. In totaal zouden ongeveer 115.000 bezoekers die tentoonstellingen bezocht hebben, maar die cijfers werden wel stevig opgesmukt om de Sicherheitsdienst te paaien.

Het idee van die tentoonstelling kwam niet van de Liga van Ouwerx maar was vanuit Vichy-Frankrijk overgewaaid naar onze locale anti-maçonniekers. De collaborende maarschalk Henri Philippe Pétain had zijn anti-semitische en anti-maçonnieke gevoelens nimmer onder stoelen of banken gestoken. De Franse loges hadden zich kort na het aanstellen van het Vichy-regime al in juni/juli 1940 ontbonden en Pétain vaardigde op 13 augustus een nieuwe wet uit die de geheime genootschappen verbood.

In Frankrijk hadden ze al 150 jaar ervaring met anti-maçonnisme die nog dateerde van de tijd van de Zaak Dreyfus en de strapatsen van Léo Taxil. Het kon de Franse anti-maçonniekers maar weinig schelen dat de boeken van Taxil pure verzinsels waren geweest, want al zijn boeken en geschriften werden samen met dat andere leugenachtige pamflet De Protocollen van de Wijzen van Sion, in duizenden oplagen opnieuw verspreid. Ook Léopold Flament van de Liga zal in 1943 de Procollen opnieuw uitbrengen onder de schuilnaam Regulus. De Protocollen werden aldus het meest verspreid en gelezen tijdens de Tweede Wereldoorlog alhoewel het tot op heden nog steeds wordt aangehaald door zowel extreemrechts als door anti-Zionistische organisaties en dat vooral in moslimlanden.

Vanaf oktober 1940 vond een hele reeks anti-maçonnieke tentoonstellingen plaats in Frankrijk die door Bernard Fay was samengesteld. Talrijke aangeslagen voorwerpen en documenten werden aan het publiek tentoongesteld die plaats vonden in de aangeslagen tempels van de loges. De opkomst van het publiek was maar mager, ondanks dat de Franse collaboratiepers tijdens de duur van de tentoonstellingereeks voortdurend allerhande indianenverhalen publiceerde over de vrijmetselarij.

Léon Degrelle had in Parijs die tentoonstelling bezocht en vond dat ze naar België moest gehaald worden en nam daarover contact op met de Sicherheitsdienst in Brussel. Dat verzoek kwam net binnen op het moment dat Ouwerx en Jean Flament met Canaris van de Sipo-SD en de Duitse Propaganda-Abteilung onderhandelingen voerden over een Brusselse anti-maçonnieke tentoonstelling die later eventueel naar Gent, Antwerpen en Luik kon gaan. Canaris vreesde dat Degrelle die tentoonstelling zou misbruiken om propagada voor zijn partij Rex te maken en hield het voorstel van Degrelle van zich af.

Beslist werd om de eerste van de reeks anti-maçonnieke tentoonstellingen plaats te laten hebben in de werkplaats van de vrijmetselarij in de Lakensestraat 79 waar ook het HQ van de Gestapo was gehuisvest nadat het gebouw van de vrijmetselarij in de zomer van 1940 was geconfisceerd. Léopold Flament ontwierp de catalogus van de tentoonstelling. Opvallend in de catalogus was de foto waarop drie doodshoofden prijkten, getooid met respectievelijk de koningskroon, een pauselijke tiara en een laurierkrans. De begeleidende commentaar van Flament luidde dat "dit beeld één van de einddoelen van de vrijmetselarij symboliseerden: het omverwerpen van de monarchie, pausdom en militarisme".

De tentoonstelling werd opgevat in acht thema's: de organisatie van de loges in België, de beschermfunctie van de vrijmetselarij, de onmogelijkheid van de Orde om specifieke (maatschappelijke) vragen op te lossen, de ridiculisering van de religieuze beleving van niet-maçons, het gebrek aan goede smaak binnen de loges, jodendom en vrijmetselarij, antinationalisme en kosmopolitisme, en antivolkse houding van de maçonnerie.

Op 19 maart 1941 werd de tentoonstelling in Brussel gesloten en verhuisde achtereenvolgens naar Antwerpen, Luik, Gent, Namen, Charleroi, Mons, Doornik, Kortrijk, Ieper, Oostende, Brugge, Leuven en Hasselt waar ze op 31 mei 1942 ten einde liep. Al bij al was er maar een magere opkomst. De tentoonstelling werd opgesmukt met doodshoofden, drie-, vijf- en zeshoeken, zonnen en manen en brandende kaarsen. Daarmee hoopten de anti-maçonniekers in te spelen op folkloristische elementen zoals heksen, zwarte magie, duivelaanroeping enz. Het publiek bleek eerder nieuwsgierig te zijn dan angstig en sommigen waren zo gefascineerd door de tentoonstelling dat ze zich na de oorlog aansloten bij de vrijmetselarij.

Intussen liep het gekrakeel binnen het bestuur van de Liga -net zolang de tentoonstelling liep en nog lang daarna- hoog op. Flament en Ouwerx beschuldigden elkaar wederzijds van fraude en het achterhouden van inkomsten van de Liga. Ook met Degrelle liepen de ruzies hoog op. Léopold Flament beschuligde Degrelle ervan van Pools-Joodse afkomst te zijn. Zijn roots zouden terug gaan tot 1760 toen de Poolse jood Isaac Mozkovski naar Frankrijk emigreerde en zijn naam veranderde in Legrellé en zijn nazaten zich later Degrelle begonnen te noemen. In het boek van Jimmy Koppen worden tientallen pagina's besteed aan die interne ruzies die bijwijlen ronduit karikaturaal zijn. Op 7 augustus 1942 slaagde de rexist José Streel door zijn bemiddeling het gekrakeel te doen ophouden.

 

 

 

 

 

Het lot van Vrijmetselaars en Collaborateurs

In de zomer van 1941 werden door de nazi's de sluiting en verzegeling van de logetempels bevolen. Dat was al veel eerder op 5 september 1940 voor Nederland het geval geweest. Blijkbaar aarzelde de MV in België nog wat. Waardevolle archieven en bezittingen werden in beslag genomen en de gebouwen van de vrijmetselarij werden korte tijd later in beslag genoemen en bezet door Duitse verenigingen en collaboratiegroepen bezet. Zo had de DeVlag van Jef François haar hoofdkwartier in de logetempel van de Lakensestraat. Op 20 augustus 1941 werd de vrijmetselarij door de bezettende overheid officieel ontbonden en werden haar bezittingen verbeurd verklaard. Een vereffenaar werd aangesteld, maar, o.m. door de tegenwerking of de passiviteit van de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie de Foy kwam het niet tot de verkoop van de loge-eigendommen. Slechts een paar logedignitarissen werden opgepakt voor ondervraging en werden na korte tijd weer vrijgelaten.

Vanaf 1942 begonnen de moordaanslagen. Door het verzet, vooral door de communistisch geleide partizanen, werden vooraanstaande collaborateurs neergeschoten. De represailles, vooral vanwege de rexistische doodseskaders en de Zwarte Brigade onder leiding van Robert Verbelen, bleven niet uit. Ook vrijmetselaars werden er het slachtoffer van. De verkeerde overtuiging dat de leiders van de hoge-gradenvrijmetselarij ook de onzichtbare kopstukken waren van een zogenaamd goed georganiseerd machtsapparaat, kostte het leven aan de Soeverein Commandeur van de Opperraad van de Schotse Ritus en oud-burgemeester van St-Joost-Ten-Node Georges Pêtre (1874-1942) die op oudejaarsavond 1942 in Sint Joost-ten-Node met drie kogels werd vermoord. Zijn adjunct generaal Emile Lartigue (1868-1943) volgde op 20 januari 1943 en de Antwerpse schepen en hoge logedignitaris E. Sasse (1875-1943) werd op op 8 februari voor zijn woning doodgeschoten.

Bij het Grootoosten werden de oud-grootmeester advocaat Raoul Engel (1887-1944) op 21 februari 1943 te Elsene omgebracht door leden van DeVlag. Grootmeester en oud-minister Jules Hiernaux (1881-1944) werd op 24 juli 1944 te Charleroi doodgeschoten en de oud-minister en oud-gouverneur van Namen François Bovesse (1890-1944) werd op 1 februari 1944 het slachtoffer van een wraakactie. Nog vier andere logedignitarissen ondergingen hetzelfde lot. Zo werd de grootmeester van de Orde van Memphis-Misraím, Georges Delaives, werd door de nazi’s onthoofd.

Een zestigtal vrijmetselaars overleden in concentratiekampen en een paar honderd waren op één of andere wijze slachtoffer van het oorlogsgeweld. Dit was evenwel niet het gevolg van hun logelidmaatschap maar van hun deelname aan de achttiendaagse veldtocht of hun activiteiten binnen het verzet. In het concentratiekamp van Esterwegen stichtten in de winter van 1943-44 twintig broeders, waarvan er zestien hun gevangenschap niet zullen overleven, o.l.v. Luc Somerhausen de loge Liberté Chérie en in het krijgsgevangenkamp van Fischbeck werd een loge L’Obstinée opgericht. Ook in Londen en in New York vergaderden Belgische vrijmetselaars. In België zelf beperkte de werking zich tot geringe en informele contacten.

De dodenbalans voor de vrijmetselarij was triest. Na vier jaar oorlog waren minstens 108 vrijmetselaars omgekomen door moord, executie of ontbering. 65 logebroeders stierven als verzetsman of als politiek gevangene, 17 joodse logebroeders werden naar de concentratiekampen gedeporteerd, 11 vrijmetselaars werden door collaborateurs vermoord, 9 kwamen om tengevolge van militaire operaties zoals bv door bombardementen. 2 stierven in krijgsgevangenschap. Maar liefst 31 op 108 logebroeders droegen de 33ste graad.

De materiële schade was enorm. Vele logetempels waren geplunderd, hun bezittingen verkocht als antiquaria, hun archieven verbrand of naar Rusland getransporteerd, vele logetempels hadden ook geleden onder de bombardementen van de geallieerden en later onder de V-bommen, waarvan verschillende totaal verwoest bleken. Als schadevergoeding werden de loges na lang procederen uiteindelijk slechts één frank schadevergoeding toegekend. Een moeizame heropbouw kon beginnen.

Vanaf eind 1942 viel de Liga helemaal uit elkaar en zochten de voormalige kopstukken andere wegen. Desbonnet werd in maart 1943 wegens diefstal en fraude voor vijf maanden opgesloten en sloot zich na zijn vrijlating aan bij de Waffen SS. Jean Flament sloot zich in mei 1943 aan bij de Organisation Todt, de Duitse genie-eenheid die verantwoordelijk was voor het bouwen van bruggen, bunkers en versterkingen. Derouane trad in januari 1944 toe tot de Feldgendarmerie waar hij zijn tijd als Zivilfahnder sleet. De Harting kwam bij de Duitse contraspionage terecht. Tailleur zou de Gestapo bij de arrestatie van joden hebben geholpen. In mei 1943 bestond het bestuur van de Liga nog maar uit twee personen, Paul Ouwerx inbegrepen. Tegen de bevrijding in september 1944 bestond de Liga nog enkel op papier.

In de naoorlogse processen werden negen beklaagden beticht van hun anti-maçonnieke acties. Paul Ouwerx beweerde opeens geheugenverlies te hebben en kon zich met de beste wil van de wereld niets meer over de voorbije jaren herinneren. Ouwerx stierf in maart 1945 in de gevangenis van Sint Gillis. Jean Flament bleef voortvluchtig. Hij werd in oktober 1947 door de krijgsraad bij verstek veroordeeld tot de doodstraf en een half miljoen frank boete. Hij stierf kort na de uitspraak in een Berlijns ziekenhuis.

De Harting bleek spoorloos verdwenen en werd nooit gevat. Ook Desbonnet, die aanvankelijk stiekem als toeschouwer in de rechtszaal had plaats genomen, werd herkend en verdween eveneens spoorloos zonder dat hij ooit nog gegrepen kon worden. De Thysebaert kreeg 1 jaar celstraf, Ponet kreeg twee jaar gevangenisstraf en 25.000 frank boete, Nelis kreeg vijf jaar, Tailleur zeven jaar en Derouane tien jaar gevangenisstraf. De zeven veroordeelde leden moesten eveneens een symbolische frank schadevergoeding betalen aan de loges aan wie zij zoveel kwaad hadden gedaan. Al bij al erg milde vonnissen temeer daar door de Openbare aanklager voor de doodstraf werd gepleit.

 

 

 

 

 

De anti-vrijmetselarij herleeft

De anti-vrijmetselarij herleefde na de oorlog met de nieuwe Vlaams-nationalistische en extreemrechtse bewegingen opnieuw op over het ganse land. De erfgenamen van de collaboratie zagen er helemaal geen graten in om de oude thema's van hun vooroorlogse en collaborerende idolen weer op te nemen. Het geheugen was maar van vrij korte duur gebleken.

Toen in mei 1979 de Vlaams Nationalistische Partij van Karel Dillen (de VNP werd gesticht in oktober 1977) zich omdoopte naar Vlaams Blok, was van bij het begin het solidarisme van Joris Van Severens Verdinaso in haar programma gebeiteld. Vele kopstukken waren (of zijn nog steeds) kaderleden van Were Di, dat opgericht werd door ex-Waffen SS'r Bert Van Boghout (1916-2003), en waarvan Karel Dillen de hoofdredacteur was.
Opm.: Het Vlaams Blok hernoemde zich in november 2004 om tactische redenen naar Vlaams Belang n.a.v. hun veroordeling door 4 verschillende Belgische gerechtshoven wegens het systematisch aanzetten tot racisme en discriminatie.

Uit de Grondbeginselen van het Vlaams Blok: "Als solidaristische partij eist het VLAAMS BLOK het herstel van de rechtsstaat tegen de dictatuur van partijen, drukkingsgroepen, personen. Als solidaristische partij keert het VLAAMS BLOK zich tegen het liberalistisch uitbuitingskapitalisme evengoed als tegen de marxistische en communistische dwangsystemen.[..] Als solidaristische partij wijst het VLAAMS BLOK de ongecontroleerde partij syndicaten af, evengoed als de ongecontroleerde uitwassen van het liberalistisch kapitalisme.[..] Een solidaristische gemeenschap is een prestatie gemeenschap die het VLAAMS BLOK bewust plaatst tegen de begoocheling en vervlakking van de moderne verzorgingsmaatschappij. Prestatie is plicht, en geeft alléén rechten."

Van Boghout was niet de braafste collaborateur: kringleider van de Nationaal-Socialistische Beweging in Vlaanderen, actief bij het antisemitische ‘Volksverwering‘ dat streefde naar een zuiver Arisch Vlaanderen door onder meer zwarte lijsten van joden en vrijmetselaars te publiceren, Waffen SS-vrijwilliger aan het oostfront, na de oorlog tot levenslang veroordeeld, lag later mee aan de wieg van het Vlaams Blok en verspreidde tot diep in de jaren tachtig van de twintigste eeuw via de Were Di-boekendienst Duitstalige nazi-literatuur en "historisch documentaire langspeelplaten", zoals ‘Das Vaterland ruft’ en het zeer pedagogische ‘Wie gewinne ich eine Wahl?’ met de toespraken van Joseph Goebels en Adolf Hitler op het verkiezings­congres van de NSDAP in 1938. bron

Naast Were Di, de politieke denktank van het Vlaams Blok, werd ook een solidaristische stootgroep opgericht, Voorpost NAG, waarvan naast oprichter van het Vlaams Blok Karel Dillen, Luc Vermeulen, Luk Dieudonné, de voor negationisme veroordeelde VB-senator Roeland Raes (lees hier zijn dossier), Hilde de Lobel, Francis Van den Eynde, Johan Vanslambrouck (huidig voorzitter van Voorpost én van IJzerwake vzw), Mia Brans-Dujardin, Lieve Van Onckelen en Mia Brans-Dujardin zowat de bekendste naoorlogse solidaristen zijn die anno 2006 kaderfuncties bekleden binnen de partij het Vlaams Belang en/of in één of meerdere van haar talrijke nevenorganisaties zoals bv Voorpost, IJzerwake vzw enz.

Het Verdinaso van Joris Van Severen was een uitgesproken Groot-Nederlandse partij die zich liet inspireren door het fascisme van Benito Mussolini. Voor wie zich afvraagt waar het huidige Vlaams Blok/Belang hare mostaard haalt: uit het programma van het Verdinaso: punt 4) "Dat de aldus gezond-wordende en gezond-gewordene Dietsche Natie worde beveiligd tegen al hare vijanden, zoowel binnenlandsche als buitenlandsche. Die Vijanden zijn: A) DE VREEMDELINGEN, die de integriteit en de gezondheid der Natie bedreigen en aantasten. Op dit oogenblik in de éérste plaats: de Franschen, Walen en Franskiljons. B) De MACHTEN die de Natie willen beheerschen om EIGEN VOORDEEL: het Geld en de Vrijmetselarij. C) De MACHTEN die de Natie ONDERMIJNEN of zoeken UITEEN TE RUKKEN: het Liberalisme; het partijenstelsel; het Marxisme en de klassenstrijd-propaganda; de materialistische levensbeschouwing in al hare uitingen."

Een andere bekend voormalig mandataris van het Vlaams Blok/belang is Ignace Lowie. In Dietsland-Europa, het maandblad van Were Di waaraan hij vanaf 1990 meewerkte, wees Lowie met een beschuldigende vinger naar het joods grootkapitaal: "Wanneer we in Zuid-Afrika over macht spreken, wordt gemakshalve over figuren als De Klerk en Mandela gesproken. Vaak wordt dan voorbijgegaan aan heerschappen die de daadwerkelijke macht uitoefenen. In zuidelijk Afrika is dit ontegensprekelijk Harry Oppenheimer, bezitter van de Anglo-American Corporation en vrijmetselaar in de geheime zionistische Engelse loge B'nai B'rith."

In de aanloop van de gemeenteraadsverkiezingen in 2000 bracht Jan Penris het boek "De slag om Antwerpen" uit waarin hij de eerste honderd dagen van het Vlaams Blok/Belang in het stadhuis beschrijft. In dit fictieve verhaal wordt het Vlaams Belang, dat net niet de absolute meerderheid behaalt, in het zadel geholpen door drie zogenaamde 'overlopers'.

Eén VLD-, één CVP- en één VU-gemeenteraadslid, die respectievelijk luisteren naar de naam Demetser, Timmermans en De Vlaeminck. Symbolische namen, waarmee Penris alweer bij een extreem-rechtse samenzweringstraditie aansluit. Demetser is bijvoorbeeld een verwijzing naar de vrijmetselarij; voor Penris is de loge zonder enige nuance synoniem voor de VLD. bron

 

 

 

 

 

Slot

De anti-vrijmetselarij is verre van dood in Vlaanderen/België. Eind jaren negentig leefde de anti-vrijmetselarij opnieuw op. De Standaard publiceerde in augustus 1999 een dossier van de hand van politiek journalist Derk-Jan Eppink getiteld "Wordt er nog gemetseld in de Wetstraat" en met "Driekwart van de liberale en socialistische ministers in de federale regering is lid van een loge" als ondertitel, verwees hij expliciet naar de vermeende band tussen vrijmetselarij en politiek. Jan Eppink 'onthulde' namen van al dan niet vermeende vrijmetselaars die een politiek mandaat bekleedde en vermeldde erbij tot welke obedientie zij zouden behoren.

Een en ander noopte de vrijmetselarij wel om te reageren. Drie vrijmetselaars publiceerden Op 28 augustus 1999 onder de kop "De vrijmetselaar als fabeldier" een antwoord in De Standaard waarbij ze de beweringen van Jan Eppink weerlegden: "Het moest er van komen dat gefrustreerde christen-democraten, die gruwen van zelfkritiek, hun verplichte oppositiekuur aan duistere machinaties van hun opponenten wijten. En wie zijn er dan beter geschikt om als samenzweerders gebrandmerkt te worden? De vrijmetselaars! Men zou kunnen denken dat de media in onze contreien zouden terugschrikken voor een methode die al eerder in onze geschiedenis gebruikt werd door fascistoîde groeperingen en door de nazi's. De 'judeo-maçonnieke samenzwering' in allerlei varianten werd in de jaren '30 door dit 'onzindelijk allegaartje' (sic) aangeklaagd als de bron van alle verderf in Europa en Amerika."

In januari 2005 diende Spirit-volksvertegenwoordiger Koen T’Sijen een wetsvoorstel in: Politici moeten lidmaatschap van eliteclubs openbaar maken. Geînspireerd door het boek "De elite van België" van Jan Puype, die in zijn boek duidelijk liet blijken dat er de facto maar weinig concrete kennis bestaat over zoiets als de maçonnieke geheimhouding. Uit het wetsvoorstel: "Het is geen geheim dat de combinatie van het geheime lidmaatschap van bv. de Loge, de broederplicht, de interne rechtsgang en hoogoplopende beroepsvrijage in het recente verleden geleid heeft tot belangenvermenging en zelfs het ondergraven van de democratie. In Italië was de P2-Loge nauw betrokken bij de moord op Aldo Moro; in Groot-Britannië is er sinds ’98 een nationale maatregel van kracht die overheidsambtenaren verplicht hun logelidmaatschap bekend te maken na een resem van schandalen in de vastgoedsector en in België waren in de Uniop-fraudezaak, de OMOB-fraude en de Agusta-Dassaultaffaire een resem ‘broeders’, zowel uit de politiek, ambtenarij als het bedrijfsleven betrokken."

De moord op Gods bankier Roberto Calvi van de Banco Ambrosiano door Propaganda Due (P2-Loge) was in de jaren 80 van de vorige eeuw veelvuldig in het nieuws, mede doordat veel bekende Italianen er bij betrokken leken of waren. In juni 1982 werd het lichaam van Roberto Calvi dood aangetroffen in Londen, hangend onder de Blackfriars Bridge (waarvan wordt verondersteld dat dit een belangrijke plek is voor de vrijmetselarij. BlackFriars = Zwarte Broeders). Op diezelfde dag viel Calvis’s secretaresse, Graziella Corracher uit een raam van de bank in Milaan.

Calvi was een vermeend lid van de geheime vrijmetselaarsloge P2 waarvan Licio Gelli, beheerder van de Vaticaanse BV, de leider was. Hoewel zijn handen waren gebonden, en zijn zakken gevuld met stenen hield de Britse politie het in eerste instantie op zelfmoord (bron.) De P-2 loge o.l.v. loge-Grootmeester Licio Gelli bestaat niet meer en had in werkelijkheid helemaal niets met de vrijmetselarij te maken. Het was een criminele organisatie die als dekmantel de vrijmetselarij misbruikte voor haar verwerpelijke activiteiten.

De anti-vrijmetselarij is nadrukkelijk aanwezig op het internet. Door middel van het beeldverhaal: 'The curse of Baphomet', pogen Amerikaanse anti-vrijmetselaars de vrijmetselarij in het diskrediet te brengen. Het is beslist de moeite waard om de methodes en de beweegredenen van de anti-vrijmetselaars te bestuderen. Vandaar dat een aantal hyperlinks naar sites van anti-vrijmetselaren werd voorzien.

Dikwijls wordt verwezen naar Léo Taxil (1854), voormalig vrijmetselaar en zogenaamd verrader van de maçonnieke geheimen. Hij probeerde munt te slaan uit de geheimdoenerij en praatte de volgzame, naïeve en op sensatie beluste clerus naar de mond.

Dat Léo Taxil later publiekelijk toegaf dat het om prietpraat ging, laat de anti-maçonniekers Siberisch koud. Dat de Protocollen van de Wijzen van Sion kompleet nep zijn al evenmin. Tot op vandaag blijft de anti-vrijmetselarij ijverig putten uit de leugens over de vrijmetselarij.

Wie herinnert zich bovendien de artikels niet die verschenen over de vervreemde betrokkenheid van vrijmetselaars bij de plotselinge dood van Paus Johannes Paulus I op 1 oktober 1978? Het blijft een feit dat vrijmetselaars steeds de fantasie van de mensen zal blijven prikkelen en een voortdurende bron voor extreemrechts om haar vermeende samenzweerderstheorieën kracht bij te zetten.

Het vijandbeeld, de zondeboktheorie en het complotdenken blijven alleen levensvatbaar, wanneer de bevolking door angstgevoelens, xenofobie, onwetendheid en verwarring, handig en systematisch door extreemrechts worden opgeklopt en uitgebuit voor hun sinistere doeleinden, en de bevolking door extreemrechtse haatpropaganda bepaalde groepen in onze samenleving als vijanden gaat beschouwen. Hoe zoiets eindigt weten we ook, want de herinnering aan de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog waartoe dergelijke zondeboktheorieën hebben geleid, zullen voor eeuwig in ons nageslacht blijven voortleven.




Met bijzondere dank aan Jimmy Koppen van de Vrije Universiteit Brussel voor het welwillend ter beschikking stellen van zijn materiaal, zonder wie deze artikelenreeks over de vervolging van de Vrijmetselarij nooit tot stand had kunnen komen.

 

 

Bronnen

 

 

 


Lees ook deze artikels op Verzet.org:
•  De Belgische Anti-maçonnieke Liga. Deel 1: het Interbellum
•  De Belgische Anti-maçonnieke Liga. Deel 2: de Bezetting
•  Vervolging van de Vrijmetselarij. Deel 1: De schandalen
•  Vervolging van de Vrijmetselarij. Deel 2: Het Vaticaan en de Protocollen
•  Vervolging van de Vrijmetselarij. Deel 3: In het Derde Rijk


Bronnen

Geraadpleegde bronnen uit de literatuur (eigen bibliotheek):

•  Passer en Davidster - Vervolging van vrijmetselaars en joden in België (Jimmy Koppen)
•  De Vrijmetselarij in Nederland en Vlaanderen (Piet van Brabant)
•  Tegen uiterst rechts, Vrijmetselaars aan de slag! (Bartholdi Kring)
•  Lexicon van de Loge - Handboek voor Vrijmetselaars; Piet van Brabant; Hadewijch 1993; ISBN 90 5240 1918
•  Vrijmetselarij in woord en beeld; Erwin C.D. Garden; Uitgeverij Parsifal Antwerpen 1994; ISBN 90 6458 116 9
•  Elementen van Vrijmetselarij; Barend Korvij; Uitgeverij Strengholt 1995; ISBN 90 6010 862 0
•  Vrijmetselarij in de Lage Landen - Een mysterieuze broederschap zonder geheimen; Dr. Anton Van de Sande; Walburg Pers; 1995; ISBN 90 6011 930 4
•  Greep naar de Macht - Vlaams-Nationalisme en Nieuwe Orde - Het VNV 1933-1945; Bruno De Wever; Lannoo 1995; ISBN 9080063576
•  De Kollaboratie deel 1; Maurice De Wilde; Ned. Boekhandel 1985; ISBN 9028909621
•  De Nieuwe Orde; Maurice De Wilde; Ned. Boekhandel 1982; ISBN 9028997865
•  Vrijmetselarij, de grote onbekende, 1717–1967. Poging tot inzicht en waardering; Uitgeverij de Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen, 1972; Prof. dr Michel Dierickx; ISBN 90 289 9696 6

Laatst geupdate op ( Friday 08 February 2008 )